OPEN Foundation

Autisme en LSD-25 – Het Bevrijden van de Meest Gevangen Geesten?

Share This Post

Share on facebook
Share on linkedin
Share on twitter
Share on email

In het begin van de jaren zestig zijn er een aantal controversiële klinische studies gepubliceerd waarin jonge kinderen met een autisme en/of ‘childhood-onset schizophrenia’ (COS) [1] diagnose LSD-25 (Lysergeenzuurdi-ethylamide) kregen toegediend. De reden dat deze studies werden uitgevoerd bij jonge kinderen was de veronderstelde gelijkenis van autisme en COS. Eerdere resultaten van onderzoek met LSD bij volwassen catatonische patiënten, gepubliceerd in Journal of Nervous and Mental Disease door Cholden, Kurland en Savage (1955), dienden als inspiratie voor dit onderzoek. “The goal in these therapeutic efforts”, schreef Bender in een artikel gepubliceerd in Recent Advances in Biological Psychiatry (1962), “has been to modify the secondary symptomatology associated with retarded, regressed, and disturbed behavior of the children”. Het grootste gedeelte van de kinderen in deze studies was tussen de zes en tien jaar oud en reageerde niet op andere vormen van therapie. Dat de kinderen niet behandeld konden worden rechtvaardigde volgens de onderzoekers het gebruik van sterke psychoactieve stoffen. Dergelijk onderzoek zou tegenwoordig uiteraard niet zomaar door de ethische commissie worden geaccepteerd.

Een farmacologische interventie door middel van LSD zou de vertraagde ontwikkeling veranderen naar een (enigszins) normaal ontwikkelingspatroon (Bender, 1962). Hoe het toedienen van LSD zou kunnen resulteren in “het bevrijden van de meest gevangen geesten” was echter nog onbekend (Mogar & Aldrich, 1969). LSD zou succesvol kunnen worden ingezet bij de behandeling van autisme vanwege het vermogen “door de autistische verdediging heen te breken” (Bender, 1963), en daarom bijzonder nuttig kunnen zijn in gebieden “closely related to the process of psychotherapy” (Simmons et al., 1966). Sommigen geloofden dat LSD bijzonder bruikbaar was om patiënten te helpen onderdrukt subbewust materiaal te “deblokkeren” in combinatie met andere psychotherapeutische methoden (Cohen, 1959). Ook waren er therapeuten die zelf LSD namen om een diepere bewustwording van de schizofrene ervaring te krijgen. “During the ‘model psychosis’ phase of LSD research when the psychedelic state was considered a chemically-induced schizophrenia”, zegt pionier LSD onderzoeker Stanislav Grof (1980), “LSD sessions were recommended as reversible journeys into the experiential world of psychotics which had a unique didactic significance”.

Sommige onderzoekers, zoals Freedman et al. (1963), onderzochten LSD vanwege de zogenaamde psychotomimetische eigenschappen, waarmee wordt bedoeld dat het middel symptomen van een psychose na zou bootsen, inclusief wanen en delierachtige verschijnselen, in plaats van alleen hallucinaties op te wekken (Sewell et al., 2009). Een versterking van ‘typische’ symptomen betekende de mogelijkheid om de (kinder)schizofrene conditie te bestuderen en mogelijk een therapeutische interventie te ontwikkelen. Andere onderzoekers (Bender et al., 1963; Rolo, et al., 1965) beschouwden de neurologische mechanismen achter de effecten van LSD, die toen nog zeer obscuur waren, als belangrijker dan de rol als facilitator van het therapeutische proces. LSD wekte bijvoorbeeld theoretische interesse omdat het serotonineactiviteit zou kunnen remmen en het autonome zenuwstelsel zou stimuleren. Bender et al. (1963) concludeerden dat “het toedienen van dagelijkse orale doseringen van 100 mcg [2] LSD-25 aan prepuberale autistische schizofrene kinderen effectief lijkt te zijn als een stimulant van het autonome en centrale zenuwstelsel”, en dat deze veranderingen “chronisch lijken te zijn bij een continue toediening van het middel”. Continue toediening bestond uit het dagelijks toedienen, variërend van enkele dagen tot een paar weken. Tot de meest robuuste effecten die werden gepubliceerd behoren een verbeterde spraak, verhoogde emotionele responsiviteit, positievere stemming (veel lachen) en een vermindering van compulsief gedrag.

Maar helaas, hoe interessant en aantrekkelijk deze resultaten ook leken te zijn – het bewijs was niet sterk genoeg. Tegenwoordig zijn er geen studies naar de relatie tussen LSD en autisme en de resultaten van deze eerdere studies worden als zeer controversieel of volledig achterhaald beschouwd. Dit komt gedeeltelijk, achteraf gezien, doordat de studies zeer grote tekortkomingen hadden. De onderzoekers gingen geheel voorbij aan de conceptuele controverse omtrent de definitie van autisme en/of (kinder)schizofrenie (Bender et al., 1962). Het debat over de correcte plaats van autisme binnen de DSM (Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders) blijft tot op de dag van vandaag problematisch (DSM-V), maar autisme is al lang gescheiden van de psychotische stoornissen. Hoewel beide soorten stoornissen klinische eigenschappen delen beschouwen klinisch psychologen en psychiaters ze tegenwoordig als aparte diagnostische entiteiten. Omdat LSD onder andere werd gebruikt als een versterker van reeds bestaande symptomatologie van schizofrenie (Bender et al., 1962), zou een conceptuele scheiding tussen beide stoornissen de fundering van de resultaten hebben verzwakt.

Zelfs al hadden de onderzoekers gekozen om wel in te gaan op deze controverse, dan was de validiteit van de gebruikte steekproeven in de meeste onderzoeken achteraf gezien zeer problematisch geweest. De kinderen in de onderzoeken waren demografisch en wat leeftijd betreft erg gevarieerd. Niet alle onderzoekers waren het eens over de relatie tussen leeftijd en reactie op het middel, maar Bender stelde dat in tegenstelling tot preadolescenten, jongere kinderen consistent verschillende reacties vertoonden (1962). “Older children”, concludeerden Fisher en Castile daarentegen, “were better candidates for psychedelic therapy because verbal communication was possible and also because they tended to be less withdrawn, more schizophrenic than autistic, and displayed more blatant symptomology” (Mogar & Aldrich, 1969). Daarbij komt dat de symptomen van de behandelde kinderen heterogeen waren en dat er niet werd gecorrigeerd voor de ernst van de symptomen. Er was geen sprake van randomisering en in de meeste studies was er sprake van fluctuerende doseringen en frequentie van toediening. Ten slotte varieerde de set en setting van de experimenten sterk.

Hoewel de studies die in de jaren zestig verricht zijn belangrijke gebreken hadden vanuit een experimenteel oogpunt, beargumenteren Mogar en Aldrich in een artikel dat gepubliceerd is in Behavioral Neuropsychiatry (1969) dat de resultaten, als geheel bekeken, wel aanwijzingen bieden om de potentie van LSD bij de behandeling van autisme nader te onderzoeken. “The significance of seemingly contradictory results”, zeggen Mogar and Aldrich, “has often been obscured by the persistent search for static, ‘drug-specific’ reactions to LSD”. Dit is een interessant punt; ondanks dat de resultaten niet significant zijn in experimentele termen, is er wellicht wel een therapeutisch potentieel. Mogar en Aldrich rapporteren dat sterkere therapeutische effecten gerelateerd waren aan “(a) the degree of active therapist involvement with the patient; (b) an opportunity to experience meaningful objects and interpersonal activities; and (c) congenial settings that were reasonably free of artificiality, experimental or medical restrictions, and mechanically administered procedures” (1969). In de praktijk staat klinische therapie vaak ver van de theorie. Het zou kunnen zijn dat LSD, dat zelf ook een erg onvoorspelbaar middel is, in combinatie met de therapeutische dynamiek gewoonweg moeilijk is om te onderzoeken. “The administration of LSD is inextricably embedded in a larger psychosocial process”, concluderen Mogar en Aldrich, ”which should be optimized in accordance with particular treatment goals”.

Gezien de recente groei van aandacht voor dit onderzoeksveld, kan het nuttig zijn om deze oudere en nogal obscure studies te herevalueren. Onderzoekers van LA BioMed (Los Angeles Biomedical Research Institute) zijn momenteel een studie aan het opzetten waarin de effectiviteit van MDMA (3,4-methylenedioxy-N-methylamphetamine) bij de behandeling van sociale angst bij volwassenen met autisme zal worden onderzocht. Dit is de meest recente ontwikkeling in een groeiend programma van onderzoek naar de therapeutische eigenschappen van MDMA, gefinancierd door de non-profit Multidisciplinary Association for Psychedelic Studies (MAPS). “This new study will give us a chance”, zegt hoofd van het onderzoeksteam Charles Grob (2014), “to determine the actual effects of differing dosages of medication that we know for certain is pure MDMA on adults on the autism spectrum. If the results of this research warrant further investigation, data from this study will be used to design additional clinical trials”. Nu de beperkingen om de psychedelische ervaring en de therapeutische potentie van deze middelen te onderzoeken beginnen weg te vallen, en ook LSD weer opnieuw wordt onderzocht, kunnen de resultaten van deze oudere publicaties dienst doen voor het genereren van nieuwe hypothesen.


 
[1] Zie (Abramson, 1960; Bender, et al., 1962; Bender, et al., 1963; Fisher & Castile, 1963; Freedman, et al., 1962; Rolo, et al., 1965; Simmons, et al., 1966).
[2] Een gebruikelijke dosering LSD varieert van 100 tot 200 mcg, en een sterke dosering van 200 tot 600 mcg.
 
Referenties
Abramson, H.A. (Ed.) (1960). The Use of LSD in Psychotherapy. New York: Josiah Macy Foundation.
Bender, L., Faretra, G., & Cobrinik, L. (1963). LSD and UM-L treatment of hospitalized disturbed children. Recent Advances in Biological Psychiatry, 5, 84-92.
Bender, L., Goldschmidt, L., & Sankar, S.D.V. (1962). Treatment of autistic schizophrenic children with LSD-25 and UML-491. Recent Advances in Biological Psychiatry, 4, 170-177.
Cholden, L., Kurland, A., & Savage, C. (1955). Clinical reactions and tolerance to LSD in chronic schizophrenia. Journal of Nervous and Mental Disease, 122, 211-216.
Cohen, S., & Eisner, B. G. (1959). Use of lysergic acid diethylamide in a psychotherapeutic setting. AMA Archives of Neurology & Psychiatry, 81(5), 615-619.
Freedman, A.M., Ebin, E.V., & Wilson, E.A. (1962). Autistic schizophrenic children: An experiment in the use of d-lysergic acid diethylamide (LSD-25). Archives of General Psychiatry, 6, 203-213.
Gettys, T. (2014). MDMA Helps Reduce Social Anxiety for Autistic Adults, and Researchers Want to Find Out How. MAPS. Retrieved at: http://www.maps.org/media/view/mdma_helps_reduce_social_anxiety_for_autistic_adults_and_researchers_w/
Grof, S. (1980). LSD Psychotherapy. California: Hunter House Publishers.
Mogar, E. R., & Aldrich, W. R. (1969). The Use of Psychedelic Agents with Autistic Schizophrenic Children. Behavioral Neuropsychiatry, 1(8), 44-50.
Rolo, A., Krinsky. L.W., Abramson, H.A., & Goldfarb, L. (1965). Preliminary method for study of LSD with children. International Journal of Neuropsychiatry, 1, 552-555.
Sewell, R. A., Ranganathan, M., & D’Souza, D. C. (2009). Cannabinoids and psychosis. International Review of Psychiatry, 21(2), 152-162.
Simmons, J.Q., Leiken, SoJ., Lovaas, Q.I., Schaffer, B., & Perloff, B. (1966). Modification of autistic behavior with LSD-25. The American Journal of Psychiatry, 122, 1201-1211.

OPEN Foundation

INTERESTED IN PSYCHEDELIC RESEARCH AND THERAPIES?

Subscribe to the OPEN Foundation’s newsletter to stay in the loop, hear about our events, and become a part of a community dedicated to advancing psychedelics.

By clicking subscribe, I confirm to receive emails from the OPEN Foundation and agree with its privacy policy.