OPEN Foundation

Artikelen

Een van de weinige Nederlandse psychiaters die werkt met psychedelica

Psychiater Tijmen Bostoen werkt als trauma-expert in Centrum ‘45, waar binnenkort een gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek (of RCT) van start gaat met MDMA in de behandeling van PTSS. Daarnaast behandelt Bostoen sinds dit jaar patiënten die zowel een psychotrauma als een depressie hebben met ketamine, aan het LUMC. Daarmee is hij één van de weinige psychiaters in Nederland die zich bezig houden met psychedelica. We spraken hem over zijn ervaringen.
Waar is je interesse in psychedelica begonnen?
Dat begon voor mij op ICPR 2016. Tijdens het congres werd me duidelijk dat psychedelica-onderzoek interessant is en dat ik er meer van wilde weten. Het onderwerp intrigeerde me heel erg omdat de onderzoeksresultaten zo veelbelovend zijn. Wat me tijdens het congres opviel, was dat er echt goed opgezet onderzoek is gedaan met RCTs. Dat maakte voor mij duidelijk dat ik het onderwerp serieus moest nemen.
Ik had al wel eens iets gehoord over behandelingen met psychedelica, met name omdat Bastiaans daar in de jaren ’70 mee bezig is geweest. Soms had hij opvallende resultaten met LSD-behandelingen bij de ernstigst getraumatiseerde concentratiekamp-overlevers. [Bastiaans was hoogleraar psychiatrie en net als Tijmen verbonden aan Centrum ‘45 in Oegstgeest, red.]
Maar als je er dan induikt, dan blijkt dat er best al veel onderzoek gedaan is in de vorige eeuw en dat er veel al is uitgezocht. Met hele interessante resultaten. Niet echt volgens de wetenschappelijke standaarden van nu, maar toch. Dat was echt een eye-opener voor me.
Vier jaar later ben je één van de weinige psychiaters in Nederland die met deze middelen werken. Dat is best snel gegaan.
Ja, inderdaad. Toen Rick Doblin (de directeur van MAPS) in Nederland was voor ICPR’16, werd ik uitgenodigd voor een etentje. De directeur van Stichting OPEN en mijn collega Eric Vermetten waren daar ook bij aanwezig. Tijdens dat etentje is onze interesse gewekt om zelf een studie op te zetten naar MDMA, met ondersteuning van MAPS.
Toen een paar maanden later bleek dat de MDMA-assisted psychotherapy for PTSD studie in Amerika zó voorspoedig ging dat MAPS eerder dan gepland in Europa onderzoek wilde gaan doen, wisten Eric en ik meteen dat we daarbij wilden aanhaken.
Binnenkort gaat de pilot van start bij ons in Centrum ‘45. Dit is een opmaat naar de fase 3 klinische studie waarmee MAPS MDMA wil registreren als medicijn voor PTSS. Met die registratiestudie hopen we over een jaar te starten. De voorbereidingen zijn volop aan de gang.
Daarnaast werk je sinds begin dit jaar ook met ketamine, aan het LUMC. In welke context doe je dat?
Ik behandel patiënten die zowel een psychotrauma als een depressie hebben. We behandelen die patiënten volgens een depressieprotocol met ketamine. Dat zijn zes ketaminesessies in twee weken. Dat is een heel intense behandeling.
Het is voor ons ook een beetje pionieren, omdat we nog niet zo goed weten hoe ketamine nou bij PTSS werkt. We willen toewerken naar een gespecificeerde PTSS-behandeling met ketamine. Deze pilot is vooral bedoeld om ervaring op te doen met ketaminebehandelingen en om te kijken of dit depressieprotocol ook aanslaat bij patiënten die naast depressieve klachten ook last hebben van een psychotrauma / PTSS.
Het is heel mooi dat we hierin kunnen samenwerken met het LUMC en ervaring op kunnen doen met deze behandeling.
Hoe kan het dat je PTSS-patiënten al mag behandelen met ketamine, terwijl er nog geen klinisch onderzoek naar is gedaan?
Het is een off-label behandeling. Ketamine is een geregistreerd geneesmiddel, dat eerder al uitgebreid onderzocht werd en inmiddels al vele tientallen jaren gebruikt wordt door anesthesisten: we weten wat het doet en wat de bijwerkingen zijn. De laatste jaren wordt gekeken wat de effecten bij psychiatrische aandoeningen zijn en dan vooral bij depressie. Als je een medicijn off-label gebruikt dan komen er wel extra criteria bij. Je moet bijvoorbeeld heel goed overleggen met de patiënt en goed duidelijk maken dat je iets voorschrijft voor een aandoening waarvoor dat middel niet bedoeld is. Je moet uiterst zorgvuldig te werk gaan. Maar dan mag het wel, binnen de geneeskunde.
Hoe reageren patiënten, slaat de behandeling aan?
Ik vind het in ieder geval opvallend hoe goed en snel ketamine werkt op de depressieve symptomen. Of het ook specifiek effect heeft op alle PTSS-symptomen, dat moet ik nog zien. Ik kan me er wel iets bij voorstellen dat ketamine de gangbare traumabehandelingen beter werkzaam maakt. Maar ik weet het nog niet zeker, daar is het te vroeg voor. Ik wil er meer van zien en er op een gegeven moment ook klinisch onderzoek naar gaan doen.
Wat voor dosis geef je patiënten en krijgen ze daar een psychedelische ervaring van?
We gebruiken 0,5 mg s-ketamine per kilogram lichaamsgewicht. Of het echt geestverruimend is zoals je bij de klassieke psychedelica of MDMA ziet dat weet ik niet, maar het geeft zeker veranderde bewustzijnseffecten. Je ziet echt wel dat mensen heel fors onder invloed zijn en moeite hebben de intense ervaring onder woorden te brengen. Maar vaak kost het deze getraumatiseerde mensen moeite zich over te geven aan de ervaring.
Zijn die psychedelische effecten onderdeel van het werkingsmechanisme, of eerder een bijwerking?
Sommige onderzoekers zien het inderdaad eerder als een bijwerking. Zoals ketamine nu vooral wordt toegepast, is als een biologische behandeling. Dus: je geeft een geneesmiddel dat processen in het brein op gang brengt, wat maakt dat er minder klachten zijn. Maar wat ik vaak zie: als de ketamine aan het uitwerken is, gaan mensen toch reflecteren op de ketamine-ervaring zelf, en vaak hebben zij daarin elementen van hun traumageschiedenis beleefd. En mijn indruk is dat dat wel belangrijk is, in ieder geval bij PTSS.
MDMA behaalt indrukwekkende resultaten in de MAPS-studies – er is zelfs een breakthrough therapy status aan gegeven door de FDA. Wat maakt ketamine dan nog interessant voor jou als behandelaar en onderzoeker?
Ketamine wordt vooral bij depressie ingezet en zorgt ook bij heel hardnekkige vormen van depressie voor opvallende resultaten. Dat is echt heel bijzonder. MDMA is eigenlijk nog niet bij depressie ingezet maar vooral bij PTSS. Dus dat is een beetje appels met peren vergelijken in die zin.
Ik wil heel graag weten of de ketamine-behandeling langduriger werkt voor depressie als je de setting verandert en meer gaat werken vanuit het kader waarin MDMA wordt gegeven. Want dat is bij ketamine het geval: het verlicht de symptomen heel goed, maar dat effect is na een aantal weken vaak weer uitwerkt. Misschien dat je dat wel kan veranderen als je veel meer doet aan de set en setting en de psychotherapeutische follow-up. Momenteel is er beperkt onderzoek naar de effecten van ketamine op PTSS. Daar ben ik heel benieuwd naar: heeft ketamine vergelijkbare resultaten bij PTSS zoals we bij depressie zien? En wat voegt een specifieke set en setting toe? Als we wat beter zicht hebben op wat bij PTSS zou kunnen werken, dan willen we dat verder onderzoeken in een goed onderzoeksontwerp.
Waarin verschillen de kaders waarin met MDMA en ketamine wordt gewerkt het meest?
De MDMA wordt op een hele andere manier gegeven: in drie sessies van acht uur met twee therapeuten. De ruimte zelf wordt mooi aangekleed, zodat mensen niet het gevoel hebben dat ze in een ziekenhuis liggen. Er wordt veel psychotherapie gegeven voor en na elke sessie. Dat is echt een totaal andere manier van werken dan wat nu met ketamine gebeurt.
Ik denk dat het best zou kunnen dat ketamine net als andere psychedelica werkt en dat de ervaring zelf heilzaam kan zijn. Dat dit nog niet zo uit de verf is gekomen, ligt misschien toch aan de dosering die gebruikt wordt en aan de setting. Nu krijgen patiënten de ketamine echt in een ziekenhuissetting: ze liggen aan een infuus in een ziekenhuiskamer. Als je het vergelijkt met de MDMA-behandelingen voor PTSS, dan is er erg weinig tijd voor voorbereiding op en integratie van de andere bewustzijnsstaat. Ik denk dat als je ketamine op dezelfde manier zou inzetten als psilocybine of MDMA, dat het best zou kunnen dat je ongeveer dezelfde veelbelovende effecten ziet: een grote en blijvende afname in symptomen. Maar dat moet nog blijken.

Waarin verschilt het effect van ketamine met dat van MDMA, zoals je dat in patiënten waarneemt?
Met ketamine zijn mensen veel minder in staat om hun gedachten te ordenen en in gesprek te gaan. Dat maakt ketamine echt anders dan MDMA. De effecten treden ook veel sneller op en werken veel sneller weer uit. Bij MDMA zie je het effect langzaam opkomen en patiënten zijn juist heel goed in staat om hun gevoelens te beleven, te duiden en erover te vertellen – vaak beter dan in de normale bewustzijnsstaat. Bij MDMA gebeurt dat al tijdens de sessie zelf.
Ben je ooit bang geweest dat de stap naar psychedelisch onderzoek negatieve consequenties zou hebben voor je carrière?
Dat valt wel mee. De meeste collega’s en peers zijn echt geïnteresseerd. Mensen stellen soms wel gezond kritische vragen en dat is logisch. Maar ik heb niet het idee dat het een soort taboe is of dat het meteen van tafel geveegd wordt ofzo.
Toen ik zag dat er echt methodologisch goede studies zijn gedaan, heeft dat mij over de streep getrokken. Maar ik blijf ook kritisch. Ik ben redelijk onder de indruk van de psychedelica. Maar een wetenschappelijke houding, goed meten van de effecten en mogelijkheden goed in kaart brengen is voor mij de enige manier om goed met dit onderwerp om te gaan.
Welke uitdagingen kom je tegen als psychedelica-onderzoeker?
Het is heel lastig om aan te geven wat psychedelica nou precies doen. Dat onderzoek is ingewikkeld. We weten wel veel, maar wat nou precies de werkende elementen zijn… dat is nog steeds lastig te zeggen. Psychedelica doen veel op het niveau van neurotransmitters en hormonen en met fMRI kan je processen in het brein in kaart brengen die door psychedelica beïnvloed worden. Maar psychedelica geven ook hele krachtige subjectieve effecten. En het lijkt soms wel of dat twee parallelle werelden zijn. Want dat van die subjectieve effecten, dat zou meer passen binnen een psychotherapeutisch kader: je werkrelatie verdiept, er is meer ruimte voor reflectie en voor catharsis. Dat is heel psychotherapeutisch beschreven. Maar tegelijkertijd hebben psychedelica ook echt een heel krachtige biologische werking… en dan zit je weer in dat straatje van hoe we met medicijnen omgaan. Je licht iemand voor, je geeft een bepaalde dosis van een middel en vervolgens laat je dat middel als het ware zelf z’n werk doen.
Zoals dus nu bij ketamine gebeurt.
In het geval van ketamine zie je die parallelle werelden heel duidelijk. Het wordt heel biologisch benaderd door een aantal mensen. Er zijn ook mensen die zeggen dat je het juist psychotherapeutisch moet kaderen. Vervolgens moet je het ook hebben over wat nou de werkzame elementen zijn: of je bijvoorbeeld optimaal moet doseren op basis van een bepaalde bloedspiegel die bepaalde neurotransmitters in gang zet. Of dat je juist een subjectieve psychologische staat beoogt waarin je kan werken. Wie weet zijn die twee werelden ook wel nauw met elkaar verbonden… dat zijn echt dingen die uitgezocht moeten worden.
Dan heb je ook nog verschillende aandoeningen. We hadden het net al over PTSS en depressie. Daar is zeker overlap, maar het zijn wel echt andere stoornissen. En er zijn ook ideeën over de toepasbaarheid van psychedelica bij andere aandoeningen. Denk aan OCD, verslaving, persoonlijkheidsstoornissen… Er is zich echt een heel nieuw onderzoeksveld aan het openen. Heel interessant. Ik ben echt heel benieuwd waar we over tien jaar staan.
Om aan het MAPS MDMA-onderzoek mee te mogen werken, moest je eerst een speciale training ondergaan. Welke extra vaardigheden heb je daar geleerd?
Er werd sterk gehamerd op een hele open therapeutische houding, waarin je vooral het proces ondersteunt waar iemand zelf, onder invloed van MDMA, inkomt. Je doet zeker interventies, maar die zijn allemaal in dienst van het proces waar de patiënt in komt. Je werkt samen met de patiënt met wat er dan ook maar naar boven komt tijdens de sessie. In de gangbare traumatherapie ben je juist heel vaak erg sturend, in de zin van dat echt over de trauma’s zelf moet gaan en over de gevoelens die daar omheen hangen. Dat is echt een heel andere houding.
Pas je die open therapeutische houding ook toe als je patiënten met ketamine behandelt?
Ketaminebehandelingen zijn veel korter dan MDMA-sessies, waardoor ik dan toch geneigd ben om iets meer te sturen. En van wat ik tot nu toe bij ketamine zie, hebben mensen meer hulp nodig om te begrijpen wat er op dat moment gebeurt. Bij MDMA hebben mensen vaak een heel goed overzicht, maar bij ketamine zijn mensen meer los van wat ze normaal kennen. De ketamine-ervaring is meer vervreemdend, in die zin. Mensen hebben dan toch iets meer structuur van buiten nodig om daar mee om te gaan.
Als onderdeel van de MAPS-training tot MDMA-therapeut, onderging je zelf ook een MDMA-sessie – in een zelfde soort setting als je toekomstige patiënten.
Ja. Ik denk dat het echt van meerwaarde is dat als je met psychedelica werkt, je zelf ook weet wat die middelen met je doen. Want die veranderde bewustzijnsstaat is zo enorm uitgesproken, dat het wel heel moeilijk voor te stellen is hoe dat voor iemand is, als je het niet zelf hebt meegemaakt. Als iemand wil begeleiden in zo’n bewustzijnsstaat helpt het echt dat je een idee hebt wat iemand op dat moment doormaakt.
Voordat ik meedeed aan de MAPS-training had ik er eerlijk gezegd wel m’n twijfels bij. Ik dacht dat ik wel ongeveer zou weten hoe de ervaring met MDMA zou zijn. Maar nu ik het eenmaal zelf heb meegemaakt en de intensiteit en de diepgang van zo’n proces heb ervaren denk ik: dit is echt met niets te vergelijken. En dat is niet alleen mijn ervaring. Ik heb het ook aan anderen gevraagd die in dezelfde context een eigen ervaring opdeden met MDMA en bijna iedereen vindt het zelf ondergaan van een MDMA-sessie een meerwaarde.
Dus je pleit ervoor dat alle behandelaren die met deze middelen (gaan) werken in ieder geval een keer zelf ervaren wat het inhoudt?
Als het in het kader is van een psychedelics-assisted psychotherapy, dan wel. Als je met een patiënt in gesprek wil over zijn ervaringen, en zeker als je dit gesprek voert terwijl de patiënt onder invloed is, dan vind ik zéker dat eigen ervaring met deze middelen er toe doet. Als je psychedelica voorschrijft vanuit een meer biologisch kader (zoals bij ketamine) dan weet ik niet of het echt zoveel meerwaarde heeft.

[Boekrecensie] Altered States: Buddhism and Psychedelic Spirituality in America

Osto_USBuddhismAltered States: Buddhism and Psychedelic Spirituality in America. Douglas Osto. Columbia University Press, 2016. ISBN 978-0231177306

Hoewel veel liefhebbers van psychedelica zeggen zich aangetrokken te voelen tot het Boeddhistisch gedachtengoed, is de overlap en het onderlinge verband tussen deze groep mensen en het formele Boeddhisme niet uitgebreid onderzocht. Dit boek doet een poging dat gat te dichten en is het eerste dat statistische onderzoeken combineert met een analyse van de verschillende manieren waarop mensen denken over de samenhang tussen deze twee. Het is, na William Richards’ Sacred Knowledge, de tweede monografie in een reeks over psychedelica die Colombia University Press publiceert.

Het boek maakt gebruik van informatie uit eerdere, minder formele onderzoeken van Tricycle Magazine, dat een speciale editie over Boeddhisme en psychedelica publiceerde, en van Zig Zag Zen, een door Allan Badiner geredigeerde op psychedelica en/of Boeddhisme geïnspireerde kunst- en essaycollectie, waarvan in 2015 een nieuwe geüpdatete editie verscheen. Het combineert data en standpunten die uit deze publicaties naar voren komen met informatie die de auteur heeft verzameld aan de hand van interviews en een enquête.

Het boek begint met het minst boeiende hoofdstuk, waarin dieper wordt ingegaan op de statistieken van de eerder genoemde onderzoeken. Het beeld ontstaat dat er een overlap is tussen mensen die psychedelica hebben gebruikt of nog steeds gebruiken, en mensen die zich op meer of minder formele wijze met Boeddhisme bezighouden. De auteur concludeert dat er binnen deze overlappende groep een spanningsveld bestaat tussen twee tegenstelde standpunten: zij die geloven dat de twee niet samengaan, ook al zijn zij dankzij psychedelica tot het Boeddhisme gekomen, en zij die geloven dat de twee complementair kunnen zijn.

In de volgende twee hoofdstukken gaat Osto verder in op de geschiedenis van deze twee stromingen in de Verenigde Staten vanaf ongeveer het midden van de twintigste eeuw. Beide stromingen hebben gelijkaardige paden gevolgd, waarbij een snelle, wijdverspreide aanhang werd gevolgd door een periode van schandalen, die eindigde in het herontdekken van hun basisprincipes. Voor degenen die bekend zijn met de geschiedenis van psychedelica (en/of het Boeddhisme) bieden deze hoofdstukken weinig nieuwe informatie, behalve dat het interessant is te zien dat er vanaf het begin raakvlakken zijn geweest. Sleutelfiguren van de ene stroming hadden vaak tevens een invloedrijke rol in de andere stroming.

Hierna volgen drie hoofdstukken die de rol bespreken van psychedelica voor Boeddhisten die deze gebruikt hebben. Osto zet de metafoor van een deur in om te beschrijven hoe sommige Boeddhisten ervaren dat psychedelica de deur naar hun religieuze pad hebben geopend. Dit wordt bijna universeel onderkend door de onderzochte groep. In een later stadium zijn er sommigen die ‘de deur achter zich dichttrekken’ en psychedelica laten voor wat ze zijn nadat zij zich serieus aan het Boeddhisme hebben gewijd, terwijl anderen ‘de deur open houden’ en het gebruik van psychedelica voortzetten naast hun beoefening van het Boeddhisme. Osto citeert uitgebreid uit de interviews die hij bij vele Boeddhisten heeft afgenomen en onderbouwt hiermee het eerder geuite standpunt dat er talloze tegengestelde meningen zijn. De geïnterviewden zijn het er desondanks over het algemeen over eens dat psychedelica een sleutelrol op hun pad hebben gespeeld en beoordelen deze zelden als inherent negatief.

Het laatste hoofdstuk gaat dieper in op het debat dat binnen het Boeddhisme leeft over veranderde bewustzijnstoestanden. De auteur wijst erop dat er zelfs in Boeddhistische teksten meerdere visies op dit onderwerp bestaan. Dit is het interessantste hoofdstuk van het boek, omdat het verder uitweidt over filosofische kwesties over waar ervaringen uit bestaan, wat veranderde bewustzijnstoestanden zijn (tip: zij zijn ook door meditatie op te wekken) en hoe een van de belangrijkste bepalingen binnen het Boeddhisme, namelijk onthouding van bedwelmende middelen (de vertaling uit het Pali is imperfect, waardoor de discussie nog complexer wordt), geïnterpreteerd dient te worden.

In het postscriptum, waarin Osto verslag doet van zijn eigen ervaringen met psychedelica en meditatie, worden de conclusies van het boek bekrachtigd. Door het delen van zijn persoonlijke ervaring laat hij zien hoe de besproken vraagstukken in het dagelijkse leven tot uiting komen. Het postscriptum geeft het boek een menselijk gezicht, dat zowel Boeddhisme als psychedelica goed gezind is.

Dit boek is vooral interessant voor mensen met een persoonlijke of academische interesse in Boeddhisme, aangezien het zich voornamelijk richt op de manier waarop Boeddhisten denken over psychedelica en deze wel of niet gebruiken voor hun spirituele groei. Het meer reflectieve gedeelte in de tweede helft van het boek is interessant voor eenieder die het spanningsveld tussen traditionele religie en veranderde bewustzijnstoestanden, door psychedelica of op andere wijze opgewekt, wil verkennen.

Koop dit boek via bookdepository.com en steun Stichting OPEN

Ketamine zou wel eens het eerste snelwerkende antidepressivum kunnen zijn

Ketamine wordt al meer dan een halve eeuw gebruikt als verdovingsmiddel, maar er is een gestaag groeiende interesse in de mogelijke snelwerkende antidepressieve effecten van deze drug. Deze interesse heeft geleid tot een veelvoud aan studies die trachten de mechanismen van deze werking bloot te leggen, en deze studies hebben op hun beurt weer bijgedragen aan het begrip van depressieve stoornissen. Ketamine werd in 1962 voor het eerst gesynthetiseerd als een dissociatief verdovingsmiddel dat zorgt voor een staat van bewuste sedatie waarbij patiënten wakker blijven, maar cognitief gedissocieerd  zijn van hun pijngevoelens (Young et al., 2011). In 1970 werd ketamine door de Food and Drug Administration (FDA) goedgekeurd als verdovingsmiddel. “Special K”, zoals ketamine op straat bekend stond, vergaarde echter gedurende de jaren ‘70 steeds meer populariteit als recreatieve drug. Het stond bekend om zijn vermogen bij gebruikers in hoge doses een “K-hole”, ofwel een staat van algehele dissociatie van het lichaam, op te wekken (Muetzelfeldt et al., 2008). In 1999 werd de drug in de Verenigde Staten (VS) door de FDA op de lijst van gereguleerde stoffen gezet, waardoor niet-medisch gebruik verboden werd. Terwijl beleidsmakers discussieerden over het gebruik en misbruik van ketamine, begon een team wetenschappers met het onderzoeken van ketamine als antidepressivum (Berman et al., 2000). Nadat de antidepressieve werking van ketamine bij dit onderzoek voor het eerst op mensen was getest, vergaarde de drug snel belangstelling in de geestelijke gezondheidszorg, te meer omdat depressie, sinds de publicatie van de vierde editie van “Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders” (DSM-IV) in 1994, onderkend werd als eenduidig begrip en psychiatrische stoornis.

Depressie en de farmacologische behandeling

De Depressieve Stoornis is de meest voorkomende psychische stoornis; ongeveer 16% van de wereldbevolking lijdt er op enig moment in het leven aan (Kessler et al., 2005). De overheersende farmacologische hypothese ontstond bij het zoeken naar een verklaring voor het verlichtende effect dat bepaalde medicijnen die inwerken op het monoamine-neurotransmittersysteem na verloop van tijd lijken te hebben op depressieve klachten. De monoamine-hypothese van depressie omschrijft de stoornis als een ontregeling van een groep monoamine-neurotransmitters in de hersenen, meer specifiek het transport van dopamine, adrenaline, noradrenaline en serotonine van en naar de synapsen (Hirschfeld, 2000). Eerstelijnsbehandeling van depressie maakt gebruik van selectieve norepinefrine- of serotonine-heropnameremmers (SNRI/SSRI). Deze medicijnen remmen het afvoeren van belangrijke neurotransmitters uit de synapsspleten die zich tussen de neuronen bevinden. Helaas heeft minder dan de helft van de mensen die lijden aan een Depressieve Stoornis baat bij medicatie die inwerkt op het monoaminesysteem. Voor degenen die er wel baat bij hebben duurt het minstens twee weken, en vaak langer, voordat er een merkbare verlichting van symptomen is (Kishimoto et al., 2016). Er zijn studies die een verband laten zien tussen behandeling met SSRI’s en een verhoogd risico op zelfmoordpogingen en volbrachte zelfmoorden (Fergusson et al., 2005; Healy, 2003). Er is dan ook duidelijk behoefte aan een snellere en meer effectieve behandeling van deze slopende aandoening.

Ketamine als antidepressivum

Bijzonder aan ketamine is dat het als psychoactieve stof in de VS is ingeschaald in Schedule III van de Controlled Substances Act (Marshall, 1999) en door artsen mag worden voorgeschreven, waardoor onderzoek mogelijk is. Het feit dat de drug niet patenteerbaar is bemoeilijkt echter de fondsenwerving voor onderzoek. Toch wordt er sinds 2000 doorlopend onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van ketamine als antidepressivum (Berman et al., 2000), wat aanleiding gaf tot meer dan 1500 studies. Onderzoeksresultaten toonden een stabiele doeltreffendheid aan van één intraveneus toegediende dosis ketamine van 0,1-0,5 mg/kg gedurende 40 minuten voor het verlichten van symptomen van een Depressieve Stoornis (Kishimoto et al., 2016). De symptomen verminderden binnen 40 tot 60 minuten en ook de suïcidaliteit was de eerste 24 uur snel afgenomen. Die verlaagde suïcidaliteit bleek, opvallend genoeg, een specifiek effect van ketamine, aangezien dit effect tevens werd gevonden bij patiënten die geen antidepressieve effecten van de drug ondervonden (Ryan et al., 2014). Aangezien weinig hedendaagse behandelingen op een dergelijke korte termijn een klinisch effect behalen, zit de kracht van ketamine juist in het snelle positieve effect op depressieve klachten en suïcidaliteit. Aan de andere kant duurt de afname van depressieve symptomen slechts tussen de vijf en acht dagen, wat door herhaalde injecties wel verlengd kan worden tot maanden (Murrough et al., 2013). Deze techniek is ietwat controversieel aangezien het nog onbekend is wat de effecten van herhaalde blootstelling aan subanesthetische doses van ketamine zijn. Sommige patiënten die deze subanesthetische doses ketamine kregen toegediend rapporteerden milde bijwerkingen, waaronder hoofdpijn, duizeligheid en misselijkheid, evenals dissociatieve effecten en milde psychotomimetische ervaringen. Deze bijwerkingen waren echter van voorbijgaande aard en duurden zelden langer dan het farmacologisch effect van de drug (ongeveer 4 uur) (Coyle & Laws, 2015).

De glutamaattheorie inzake depressie

Ketamine is een stof die chemische interacties aangaat met vele neurotransmitters in de hersenen, waaronder de monoamines (Frohlich & Van Horn, 2015). Veel onderzoek wijt de antidepressieve werking van ketamine echter aan zijn activerende effect op het glutamaatsysteem. Glutamaat is een exciterende neurotransmitter die in ongeveer 50% van de synapsen van de hersenen van zoogdieren wordt aangetroffen (alle monoaminen samen worden slechts in 15-20% ervan aangetroffen) (Zarate & Niciu, 2015). Omdat dit het primaire systeem voor het afvuren van neuronen en hun onderlinge communicatie is, zou het voor de invloed op snelle stemmingswisselingen wel eens relevanter kunnen zijn dan monoaminesystemen.

Het is een ingewikkeld mechanisme, maar ketamine reguleert glutamaat door het blokkeren, en daardoor onderdrukken, van N-methyl-D-aspartaat-receptoren (NMDAr) op de interneuronen. Wanneer deze interneuronen actief zijn belemmeren zij glutamaatneuronen in gebieden die een rol spelen bij stemming; worden zij echter geblokkeerd door ketamine, dan zorgt de ontremming van deze neuronen voor een toename van glutamaterge synaptische activiteit in stemminggerelateerde hersengebieden. Door de toename van glutamaat ontstaat uiteindelijk een sneeuwbaleffect dat leidt tot neuroplasticiteit ofwel neuronale regeneratie – de neuronen in deze hersengebieden ondergaan morfologische veranderingen (Kavalali & Monteggia, 2012). Volgens deze hypothese zorgt de drug eerst voor chemische veranderingen welke leiden tot niet-chemische, morfologische veranderingen. Deze fysieke veranderingen in de hersenen zouden kunnen verklaren waarom de antidepressieve werking van de drug voortduurt nadat hij farmacologisch gezien is uitgewerkt. Hoewel er verondersteld wordt dat de NMDAr deze positieve effecten mediëren, blijkt uit recent vergelijkend onderzoek dat selectieve NMDAr-antagonisten lang niet zo effectief zijn in het behandelen van depressie als ketamine (Kishimoto et al., 2016; Sanacora & Schatzburg, 2015; Zanos et al., 2016). Dit wijst op een mogelijk alternatief werkingsmechanisme.

Concurrerende mechanismen

Enige terughoudendheid in het enthousiasme over ketamine als wondermiddel is geboden, vanwege een aantal bezwaren met betrekking tot de veiligheid. Eén van deze bezwaren heeft betrekking op de mogelijke psychedelische werking van de drug en het gevaar dat dit kan vormen voor mensen met een familiaire kwetsbaarheid voor psychotische aandoeningen. Veel farmacologen, artsen en chemici zijn om deze reden op zoek gegaan naar manieren om de antidepressieve werking te scheiden van de psychedelische beleving, bijvoorbeeld door de doses op subanesthetisch niveau af te stellen of metabolieten en stereoisomeren van ketamine te onderzoeken. Andere, meer psychotherapeutisch georiënteerde onderzoekers beweren dat de psychedelische en dissociatieve effecten van de drug, in combinatie met therapie, een essentieel onderdeel vormen van een succesvolle ketaminebehandeling van depressie. Het wegnemen van deze bewustzijnsveranderende kwaliteiten van de drug is volgens hen vergelijkbaar met het beoefenen van homeopathie (Wolfson, 2014).

Terrence Early (2014), één van deze psychiaters, oppert dat ketamine werkt via een mechanisme genaamd “action-facilitated emotional learning”. Volgens Early kunnen patiënten, dankzij de dissociatie van het lichaam die ketamine veroorzaakt, negatief beladen emotionele herinneringen of trauma’s oproepen zonder de angst die normaal gesproken met deze herinneringen gepaard gaat. De angstrespons tijdens het oproepen van trauma’s in de therapie wordt door ketamine afgezwakt, waardoor deze herinneringen na verloop van tijd hanteerbaarder worden. Het minimaliseren van de psychedelische effecten van psychedelica aan de ene kant en het omarmen ervan vanwege hun therapeutisch potentieel aan de andere kant, is een complexe discussie die in alle wetenschappelijke literatuur over psychedelica te vinden is en waarbij politieke verhalen over de oorlog tegen drugs en de vrijheid van denken een rol spelen.

Het uitbreiden van de inzetbaarheid

Vooruitkijkend naar een bredere inzetbaarheid van ketamine buiten de ziekenhuisomgeving, stuiten sommige wetenschappers op  een tweede veiligheidsprobleem, namelijk verslavingsrisico (Sanacora & Schatzburg, 2015; Zhang et al., 2016), te meer aangezien bijna een derde van de mensen met een depressie tevens voldoet aan de criteria voor een middelenverslaving (Davis et al., 2008). Doordat, tot op heden, comorbide middelenverslavingen altijd uitgesloten zijn van experimentele proeven met ketamine, is er zeer weinig data beschikbaar over het verslavingsrisico van ketamine bij deze aanzienlijke doelgroep depressieve patiënten. Ketamineverslaving is goed gedocumenteerd, maar alleen bij doses boven de 1mg/kg (Newport et al., 2015). De huidige tests voor behandeling van depressie gebruiken gewoonlijk doses van 0,5 mg/kg en nooit meer dan 1,0 mg/kg. De geneeskunde heeft echter in het verleden beschamend vaak verslavingen in de hand gewerkt door het gebruik van voorgeschreven medicatie als laudanum, heroïne en cocaïne, en de huidige epidemie van verslaving aan voorgeschreven opiaten is alom aanwezig. Omdat de halfwaardetijd van ketamine kort is, zijn voor een klachtenremissie van langer dan een week herhaalde doses nodig, waardoor de kans op tolerantie en verslaving verhoogd is. Er is op dit moment een gebrek aan langetermijnonderzoek naar de schadelijke effecten van herhaald gebruik van ketamine.

Momenteel is ketamine door de FDA goedgekeurd voor intraveneuze (IV) en intramusculaire (IM) toediening in hoge doses voor anesthesiologische doeleinden. Dit dient plaats te vinden in een ziekenhuis onder toezicht van een anesthesioloog. Binnen dit dure, ingrijpende en erg gemedicaliseerde behandelmodel is er weinig aandacht voor set en setting, welke juist zeer belangrijk zijn bij het waarborgen van betekenisvolle psychedelische ervaringen. Het is aangetoond dat patiënten die ketamine toegediend kregen in ruimtes voor elektroshocktherapie slechtere resultaten hadden dan patiënten die de medicatie kregen in een comfortabele en ontspannen setting (Ryan et al., 2014).

Er zijn alternatieve wijzen ontwikkeld voor het toedienen van ketamine, waaronder intranasaal, subcutaan, oraal en sublinguaal, die momenteel onderzocht worden (Lara et al., 2013; Mathews et al., 2012; Opler et al., 2016). De biologische beschikbaarheid van ketamine is bij orale, subcutane en intranasale toediening echter minder dan 50%, tegenover 93% bij de invasievere toedieningsroutes (Clements et al., 1982). De antidepressieve werking is bij deze alternatieve wijzen ook minder sterk dan bij IV- of IM-toediening (Ryan et al., 2014). Er is bewijs voor de antidepressieve werkzaamheid van subanesthetische doses, waarvoor de aanwezigheid van een anesthesioloog niet vereist is en welke kunnen worden toegediend in een comfortabelere setting (Berman et al., 2000; Zarate et al., 2006). Wanneer de medicatie “off-label” wordt voorgeschreven en toegediend, spelen geïnformeerde toestemming en integratie binnen een therapeutische behandeling een belangrijke rol in het optimaliseren van de set en setting en dus van de resultaten.

Aan de horizon

In mei 2016 publiceerde Nature een interessant nieuw artikel waarin de onderzoekers stellen dat zij de cruciale metaboliet van ketamine, die verantwoordelijk is voor de langdurige antidepressieve effecten, hebben gevonden. De betreffende verbinding is getest aan de hand van diermodellen en bleek niet-verslavend en niet-psychotomimetisch (Zanos et al., 2016). Over het algemeen wordt ketamine toegediend als een racemisch mengsel van S-ketamine en R-ketamine (zowel links- als rechtsdraaiende moleculen in ongeveer gelijke verhoudingen). Het lichaam zet deze enantiomeren beide om in een aantal metabolieten. S-ketamine en zijn metabolieten hebben drie tot vier keer zoveel affiniteit met NMDAr dan R-vormen, waardoor wetenschappers denken dat S-ketamine mogelijk in lagere doses een even krachtig effect kan hebben. Zanos en collega’s vonden echter dat (2R, 6R)-hydroxynorketamine (R-HNK) – een metaboliet van ketamine met twee rechtsdraaiende chirale centra – essentieel was voor de krachtige antidepressieve effecten.

Tegen de verwachtingen in bleek R-HNK niet te binden aan NMDAr, noch deze te inhiberen, waardoor de NMDAr-hypothese inzake ketamine in het geding komt. Hoewel de doelmolecule van R-HNK nog onbekend is, is aangetoond dat R-HNK een toename veroorzaakt van α-amino-3-hydroxy-5-methyl-4-isoxazolepropionisch zuur-receptor (AMPAr)-gemedieerde postsynaptische potentialen in de hippocampus, zelfs nadat de drug farmacologisch is uitgewerkt. Men veronderstelt dat de opregulatie van deze exciterende glutamaterge AMPAr de langerdurende antidepressieve effecten van ketamine veroorzaakt. Dit nieuwe NMDAr-onafhankelijke, niet-verslavende en niet-psychotomimetische antidepressieve mechanisme is een veelbelovende bevinding (Zanos et al., 2016), maar het onderzoek dient nog gerepliceerd te worden en uitgebreid naar mensproeven voordat er definitieve conclusies getrokken kunnen worden over de effectiviteit in het behandelen van depressieve stoornissen.

Ketamine is een vooraanstaand en snelwerkend medicijn gebleken met een uniek actiemechanisme dat het onderscheidt van de huidige psychiatrische hulpmiddelen voor depressie. Het zou wel eens het begin kunnen betekenen van een nieuwe generatie snelwerkende antidepressiva. Enige terughoudendheid over de antidepressieve voordelen van ketamine is echter geboden, vanwege vragen over de gebruiksveiligheid, waaronder nadelige psychotomimetische effecten, verslavingsrisico en dure en invasieve toedieningswijzen. Voordat de FDA ketamine goedkeurt voor gebruik bij depressieve stoornissen in bredere klinische contexten, moet er onderzoek komen naar de ongewenste effecten van langdurige blootstelling en dienen de optimale dosering, de toedieningswijze en de frequentie van toediening gestandaardiseerd te worden. Maar zelfs in de beginfase van het onderzoek en met deze veiligheidsbezwaren in gedachten, biedt de snelle verlichtende werking van ketamine op depressieve en suïcidale symptomen artsen een ethisch gerechtvaardigde mogelijkheid om zeer ernstige gevallen, die op de eerste hulp binnenkomen, te behandelen. Op zijn allerminst geeft het doctoren de tijd om alternatieve therapieën te implementeren en de werking van langzamer werkende eerstelijnsbehandelingen af te wachten.

Referenties

Berman, R. M., Cappiello, A., Anand, A., Oren, D. A., Heninger, G. R., Charney, D. S., & Krystal, J. H. (2000). Antidepressant effects of ketamine in depressed patients. Society of Biological Psychiatry. 47. 351-354. doi: 10.1016/S0006-3223(99)00230-9

Clements, J., Nimmo, W., & Grant, I. (1982). Bioavailability, pharmacokinetics, and analgesic activity of ketamine in humans. Journal of Pharmaceutical Sciences. 71(5). 539-542. doi: 10.1002/jps.2600710516

Coyle, C. M., & Laws, K. R. (2015). The use of ketamine as an antidepressant: a systematic review and meta-analysis. Human Psychopharmacology: Clinical and Experimental, 30(3). 152-163. doi: 10.1002/hup.2475

Davis, L., Uezato, A., Newell, J. m., & Frazier, E. (2008). Major depression and comorbid substance use disorders. Current Opinions in Psychiatry. 21(1). 14-18. doi: 10.1097/YCO.0b013e3282f32408

Early, T. S. (2014). Making ketamine work in the long run. International Journal of Transpersonal Studies 33(2). 141-150.

Fergusson D., Doucette, S., Glass, K. C., Shapiro, S., Healy, D., Hebert, P., & Hutton, B. (2005). Association between suicide attempts and selective serotonin reuptake inhibitors: Systematic review of randomised controlled trials. British Medical Journal, 330. 396. doi: 10.1136/bmj330.7488.396

Frohlich, J. & Van Horn, J. D. (2014). Reviewing the ketamine model for schizophrenia. Journal of Psychopharmacology, 28(4). 287-302. doi: 10.1177/0269881113512909jp.sagepub.com

Healy, D. (2003). Lines of evidence on the risks of suicide with selective serotonin reuptake inhibitors. Psychotherapy and Psychosomatics. 72(2). 71-79. doi: 10.1159/000068691

Hirschfeld, R. M. (2000) History and evolution of the monoamine hypothesis of depression. The Journal of Clinical Psychiatry. 61 (suppl 6). 4-6

Kavalali, E. T., & Monteggia, L. M. (2012). Synaptic mechanisms underlying rapid antidepressant action of ketamine. Journal of American Psychiatry, 169(11). 1150-1156. doi: 10.3389/fphar.2013.00161

Kessler, R, C., Berglund, P., Demier, O., Jing, R., Merikangas, K. R., & Walters, E. E. (2005). Lifetime prevalence and age-of-onset distributions of DSM-IV disorders in the national comorbiditysurvey replication. Archives of General Psychiatry, 62(6). 593-602. doi:10.1001/archpsyc.62.6.593.

Kishimoto, T., Chawla, J. M., Hagi, K., Zarate, C. A., Kane, J. M., Bauer, M., & Correll, C. U. (2016). Single-dose infusion ketamine and non-ketamine N-methyl-D-aspartate receptor antagonists for unipolar and bipolar depression: a meta-analysis of efficacy, safety and time trajectories.  Psychological Medicine, 46. 1459-1472. doi:10.1017/S0033291716000064

Lara, D. R., Biosol, L. W., & Munari, L. R. (2013). Antidepressant, mood stabilizing and precognitive effects of very low dose sublingual ketamine in refractory unipolar and bipolar depression. The International Journey of Neuropsychopharmacology. 16(9). 2111-2117. doi: 10.1017/S1461145713000485

Marshall, D. R. (1999). Schedules of controlled substances: Placement of ketamine into schedule III. Federal Register. 64 (133). 37673-37675. docid: fr13jy99-7

Mathews, S. J., Shah, A., Lapidus, K., Clark, C., Jarun, N., Ostermeyer, B., & Murrough, J. W. (2012). Ketamine for treatment resistant unipolar depression. CNS Drugs. 26(3). 189-204. doi: 10.2165/11599770-000000000-00000

Muetzelfeldt, L., Kamboj, S. K., Rees, H., Taylor, J., Morgan, C. J.,& Curran, H. V. (2008). Journey through the K-hole: Phenomenological aspects of ketamine use. Drug and Alcohol Dependence, 95(3). 219-229. doi:10.1016/j.drugalcdep.2008.01.024

Murrough, J. W., Perez, A. M., Pillemer, S., Stern, J., Parides. M. K., aan het Rot, M., Collins, K. A., Mathew, S. J., Charney, D. S., & Iosifescu, D. V. (2013). Rapid and longer-term antidepressant effects of repeated ketamine infusions in treatment-resistant major depression. Biological Psychiatry, 74(4). 250-256. doi: 10.1016/j.biopsych.2012.06.022

Newport, D. J., Carpenter, L. L., McDonald, W. M., Potash, J. B., Tohen, M., Nemeroff, C. B., The APA Council of Research Task Force on Novel Biomarkers and Treatments. (2015). Ketamine and other NMDA antagonists: Early clinical trials and possible mechanisms of depression. The American Journal of Psychiatry. 172(10). 950 -966. doi: 10.1176/appi.ajp.2015.15040465

Opler, L.A., Opler, M. G. A., & Arnsten, A. F. T. (2016). Ameliorating treatment-refractory depression with intranasal ketamine: potential NMDA receptor actions in the pain circuitry representing mental anguish. CNS Spectrums. 21(1). 12-22. doi: 10.1017/S1092852914000686

Ryan, W. C., Marta, C, J. & Koek, R. J. (2014). Ketamine and depression: A review. International Journal of Transpersonal Studies. 33(2). 40-74.

Sanacora, G., & Schatzberg, A. F. (2015) Ketamine: Promising path or false prophecy in the development of novel therapeutics for mood disorders? Neuropsychopharmacology, 40. 259-267. doi:10.1038/npp.2014.261.

Wolfson, P. E. (2014). Ketamine-Its history, uses, pharmacology, therapeutic practice, and exploration of its potential as a novel treatment for depression. International Journal of Transpersonal Studies. 33(2). 33-39.

Young, M., Kolp, E. & Friedman, H. (2011). Ketamine. In M.A. Kleiman & J. E. Hawdon (Eds.), Encyclopedia of drug policy (2). 451. doi:10.4135/9781412976961.n194

Zanos, P., Moaddel, R., Morris, P. J., Georgiou, P., Fischell, J., Elmer, G. I., Alkondon, M., Yuan, P., Pribut, H. J., Singh, N. S., Dossou, K. S., Fang, Y., Huang, X., Mayo, C. L., Wainer, I. W., Albuquerque, E. X., Thompson, S. M., Thomas, C. J., Zarate Jr. C. A., & Gould, T. D. (2016). NMDAR inhibition-independent antidepressant actions of ketamine metabolites. Nature. 533(7604). 481-486. doi: 10.1038/nature17998.

Zarate, C. A., Singh, J. B., Carlson, P. J., Brutsche, N. E., Ameli, R., Luckenbaugh, D. A., Charney, D. S., & Manji, H. K. (2006). A randomized trial of an N-methyl-D-aspartate antagonist in treatment-resistant major depression. Archives of General Psychiatry. 63(8). 856-864. doi: 10.1001/archpsyc.63.8.856

Zarate, C. A. & Niciu, M. (2015). Ketamine for depression: Evidence, challenges and promise. World Psychiatry, 14(3). 348-350. doi:10.1002/wps.20269.

Zhang, M. W., Harris, K. M., & Ho, R. C. (2016). Is off-label repeat prescription of ketamine as a rapid antidepressant safe? Controversies, ethical concerns, and legal implications. BMC Medical Ethics. 17(4). 1-8. doi: 10.1186/s12910-016-0087-3

Psilocybine-ondersteunde therapie toont veelbelovende resultaten voor behandelingsresistente depressie

psilocybin depression 2Het onderzoeksteam van het Imperial College in London heeft het potentieel van psilocybine-ondersteunde therapie om behandelingsresistente depressie te verlichten in een nieuw onderzoek getest. Uit statistieken blijkt dat 20% van mensen met zware depressieklachten niet reageren op conventionele behandelwijzen zoals SSRI-medicatie of cognitieve gedragstherapie (Carhart-Harris et al., 2016).

Twaalf deelnemers (zes mannen en zes vrouwen), allen gediagnosticeerd met zware depressie, deden mee aan de studie. Ze kregen twee orale doses psilocybine – 10 mg en 25 mg – waarbij de eerste de veiligheidsdosis was en de tweede, die zeven dagen later werd toegediend, de behandeldosis. De deelnemers werden geselecteerd uit 70 kandidaten; een van de belangrijkste selectiecriteria was de afwezigheid van psychotische voorvallen bij de kandidaten zelf, en bij hun naaste familieleden.

Alle participanten, in de leeftijd 30 tot 60, hadden een lange geschiedenis van depressie, en behandelpogingen hadden steeds slechts minimale effecten. Sommigen van hen leden al ongeveer 30 jaar aan middelzware tot zware depressie. Voorgaande behandelpogingen bestonden zowel uit chemische als psychologische middelen: medicatie zoals serotonine of dopamine heropname-inhibitoren (SSRI, NDRI, SNRI, etc.) en therapieën als cognitieve gedrags-, groeps-, en gesprekstherapie.

De farmacologie van psilocybine verschilt van die van selectieve serotonine heropname-inhibitoren (SSRI’s), de meest gebruikte medicatie voor dit type depressie. SSRI’s voorkomen dat de reeds afgegeven serotonine – een van de neurotransmitters die betrokken zijn in emotieregulatie – weer wordt opgenomen door dezelfde neuronen die het produceerden, zodat het kan worden opgenomen door serotoninereceptoren. Anders dan SSRI’s lijkt psilocybine structureel gezien op serotonine, waardoor het hetzelfde effect heeft als een algehele stijging van het serotonineniveau.

Gedurende het onderzoek werd psychologische steun gegeven voor, tijdens en na de psilocybinesessies. Tijdens de sessies was er minimale bemoeienis met de ervaringen van de patiënten. Hen werden enkel vragen gesteld die noodzakelijk waren om de effecten van de psilocybine op hun fysieke en mentale welzijn te kunnen evalueren. De meest voorkomende bijwerkingen waren misselijkheid, hoofdpijn, angst en verwarring, en deze waren alle van voorbijgaande aard. Slechts één patiënt had last van tijdelijke paranoia, die na een uur wegtrok.

Het onderzoek liet zien dat de depressiesymptomen bij alle 12 de deelnemers enigszins waren afgenomen. De scores op het Quick Inventory of Depressive Symptoms (QIDS) gaven aan dat het depressieniveau was gedaald van 16-20 (zware depressie) naar 6-10 (milde depressie). Vijf vervolgbeoordelingen vonden plaats tussen een week en drie maanden na de behandeling. De maximale positieve resultaten werden twee weken na de behandeling gehaald. Acht deelnemers ervoeren een week na de behandeling een complete remissie van hun depressie en bij zeven van hen bleef een significante afname van depressie na drie maanden aanhouden. Één patiënt beleefde een toename in depressieve klachten gedurende de drie maanden na de behandeling.

Dit onderzoek was het eerste dat de werkzaamheid van psilocybine bij de behandeling van zware depressie verkende, en toonde het potentieel van psilocybine aan voor het doen afnemen van zware, behandelingsresistente depressie en de veiligheid van de stof bij toediening onder de juiste omstandigheden. Voorgaand onderzoek met psilocybine-ondersteunde therapie had reeds aangetoond dat het angst bij terminale kanker kan verlichten (Grob C.S. et al., 2011).

Nader onderzoek onder striktere condities (placebo-gecontroleerd en op grotere schaal) is nodig om het potentieel van psilocybine voor de behandeling van zware depressie te bevestigen. Als deze belofte kan worden waargemaakt, dan zou dat voor miljoenen mensen die worstelen met zware depressie een nieuwe kans kunnen betekenen.

Verwijzingen:

Carhart-Harris R.L., Bolstridge M., Rucker J., Day C.M.J., Erritzoe D., Kaelen M., Bloomfield M., Rickard J.A., Forbes B., Fielding A., Taylor D., Pilling S., Curran V.H., Nutt D.J. (2016) Psilocybin with psychological support for treatment-resistant depression: an open-label feasibility study. http://dx.doi.org/10.1016/S2215-0366(16)30065-7

Grob C.S., Danforth A.L., Chopra G.S., Hagerty M., McKay C.R., Halberstadt A.L. and Greer G.R. (2011) Pilot study of psilocybin treatment for anxiety in patients with advanced-stage cancer. Arch Gen Psychiatry, 68, pp. 71–78 http://dx.doi.org/10.1001/archgenpsychiatry.2010.116

[Interview] Alicia Danforth helpt autistische volwassenen de sociale wereld te navigeren met MDMA-therapie

AliciaOnderzoek met autistische kinderen en tieners was een veelbelovend en controversieel onderzoeksgebied tijdens de eerste golf van onderzoek naar psychedelische stoffen. De eerste onderzoeker die dit in het huidige tijdperk weer oppikte was Alicia Danforth. Momenteel onderzoekt ze onder begeleiding van Charles Grob het effect van therapie met MDMA op sociale angst bij volwassenen met een autismespectrumstoornis.

Hoe ben je begonnen met dit werk?

Het is geen alledaags verhaal. Ik ben in het midden van mijn carrière van baan gewisseld. Toen ik werkte als projectmanager voor een softwarebedrijf, hadden collega’s het tijdens een avondje uit over het nemen van xtc op raves. Ik was geïntrigeerd, omdat degenen die het al hadden gedaan er zo positief over waren. Maar omdat ik was blootgesteld aan alle propaganda maakte het me ook nerveus, en dacht ik dat de programmeurs misschien wel hun hersenen kapot aan het maken waren. Het was belangrijk voor mij om onderzoek te doen naar xtc zodat ik ze kon laten weten waarom ze het beter niet zouden gebruiken. Dus kocht ik het boek van Julie Holland: Ecstasy: The Complete Guide. Ik beleefde een kantelmoment toen ik de verhalen las die waren geschreven door jonge mannen die gediagnosticeerd waren met schizofrenie. Ze hadden het over wat ze hadden opgestoken van hun ervaringen met xtc, hoe het ze hoop gaf, hoe het ze hielp te voelen dat ze mogelijk connectie met anderen zouden kunnen ervaren en zich normaler zouden voelen. Er werd iets wakker in mij. Ik kon niet accepteren dat een stof die miljoenen mensen hebben gebruikt en zoveel van hen, die verder geen effectieve steun of behandelingen kregen, geholpen had, illegaal was en niet kon worden bestudeerd door onderzoekers in gerenommeerde instellingen.

Dus belde ik Dr. Holland en vertelde ik haar dat ik wilde helpen om mensen te informeren en wetenschappelijk onderzoek te promoten. Ze stuurde me door naar Rick Doblin bij MAPS, die me doorverwees naar Dr. Charles Grob van het Los Angeles Biomedical Research Institute aan het Harbor-UCLA Medical Center. Het was zo’n geval waarbij alles in het leven op elkaar aansluit, omdat ik net een baan had gekregen in de buurt van het kantoor van Dr. Grob, waar hij op dat moment onderzoek deed naar het effect van psilocybine bij mensen met angst voor het levenseinde. Ik benaderde hem als iemand zonder kwalificaties, enkel om hem vrijwillig te helpen bij wat hij aan het doen was. We keken naar de mogelijkheden en kwamen erachter dat ik hem kon helpen met PowerPoint-presentaties. In een tijdperk waar mensen hun presentaties gaven op hun laptops, gebruikte hij nog steeds een diaprojector! Terwijl ik voor hem werkte kreeg ik de kans om mezelf te verdiepen in de literatuur, in de geschiedenis en de wetenschap, en bij iedere stap geraakte ik nog meer geïntrigeerd en geïnspireerd om meer te doen. Na zo’n twee jaar moest zijn onderzoeksassistent voor de psilocybinestudie ergens anders heen, en was het team dus onvolledig. Ze dachten dat het onderzoek moest worden gestaakt, omdat er verder niemand beschikbaar was, totdat Rick voorstelde om mij als onderzoekscoördinator aan te nemen. Tegen die tijd had ik al wat ervaring opgedaan tijdens harm reduction-werk op Burning Man en soortgelijke evenementen, waar ik als vrijwilliger steun bood aan mensen die onder invloed een moeilijke ervaring hadden, en ik erachter kwam dat ik het werk aankon. Ik had al een aantal extreme situaties meegemaakt en ik kon omgaan met freakouts. Ik had eerder ook als journaliste gewerkt, waarbij ik mensen interviewde over hun verhalen, luisterde naar mensen die hun levenservaringen vertelden, en als projectmanager was ik goed met budgetten, schema’s, toewijzing van middelen en takenlijsten. Al bij al bleek dat ik goed zou passen binnen het onderzoeksteam. Ik kon niet als psychotherapeute werken tijdens dat onderzoek, omdat ik daar niet voor opgeleid was, dus deed ik niks waar ik geen kwalificaties voor had.

Ik denk dat mijn meest waardevolle en essentiële toevoeging aan het team was dat ik een vrouw was, omdat de andere twee begeleiders mannen waren en het belangrijk is een adequate man-vrouw-balans te hebben. Mensen die hun dood naderen verlangen vaak naar een moederfiguur. Ik deed ook verschillende dingen zoals het voorbereiden van de kamer, waarvoor ik bloemen meebracht, decoreerde, ik probeerde een gevoel van comfort en veiligheid te creëren en te zorgen voor een aantal dingen zoals de deelnemers tijdig doen drinken. Ik werd getraind in het gebruik van de machine die de hartslag en dergelijke weergeeft. Ik was een luisterend oor, hield handen vast of haalde een lichte maaltijd, maakte notities van de sessies en dat soort dingen… maar ik voerde geen psychotherapie uit.

Na dat psilocybineonderzoek met Charles Grob ben je verder gegaan met een studie psychologie aan het Institute of Transpersonal Psychology, waar je je proefschrift hebt geschreven over xtc-gebruik onder volwassenen met autisme. Waar kwam in eerste instantie je interesse voor autisme vandaan?

Vijf maanden nadat ik begonnen was met het psilocybineonderzoek werd ik gediagnosticeerd met borstkanker. De kanker was agressief, maar hij was ontdekt voordat er uitzaaiingen waren. Maar deze confrontatie met de dood bracht allerlei existentiële kwesties voor mij naar boven. Ik bedacht dat als ik het overleefde, ik een gediplomeerde psychologe zou worden en zou doen wat ik kon om te blijven bijdragen aan de psychedelische wetenschap. Ik bracht zelfs huiswerk mee naar het hematologielab en studeerde met het infuus in mijn arm. Het was motiverend! Op dat moment was ik begin veertig en koos ik het Institute of Transpersonal Psychology vanwege Stan Grof’s betrokkenheid bij het ontstaan van de transpersonele psychologie, en omdat een aantal mensen aan de kernfaculteit betrokken waren bij de eerste golf van psychedelisch onderzoek. Als ik jonger was geweest, was ik naar een veel grotere en meer prestigieuze en erkende school gegaan. Als jonge mensen mij vragen om advies, zeg ik: ga naar de beste school en probeer de best mogelijke kwalificaties te krijgen. Maar op mijn gevorderde leeftijd als student moest ik daar beginnen waar ik het proefschrift kon schrijven dat ik voor ogen had. En het volgen van een transpersonele opleiding was waardevol voor het klinische werk dat ik nu doe met ongewone staten van bewustzijn.

Mijn interesse voor autisme is ontstaan rond de tijd dat ik begon met vrijwilligerswerk voor Dr. Grob. Hij nodigde mij uit bij een bijeenkomst voor mensen met interesse in psychedelisch onderzoek. Het vond een keer per maand plaats, en allerlei soorten mensen kwamen bijeen: chemici, activisten en mensen met diverse andere achtergronden. Tijdens mijn eerste bijeenkomst ontmoette ik Gary Fisher. Hij was een psycholoog uit Californië die in de jaren zestig met LSD en psilocybine had gewerkt met kinderen met autisme. Zijn werk fascineerde mij. Hij was een erg warm, innemend en creatief persoon. Die ontmoeting plantte het zaadje. Toen ik het onderwerp van mijn proefschrift moest bepalen, wist ik op dat moment dat ik me op geen enkele manier nog wilde bezighouden met kanker. Ik was aan het eind van mijn behandeling en wilde zelfs het woord niet eens meer horen. Ik dacht diep na over welke groepen onderbelicht waren en worstelden met moeilijk te behandelen mentale stoornissen, en wie het ontbrak aan effectieve behandelingsmogelijkheden. Tijdens een van die dromerige momenten dacht ik: Wat gebeurt er met mensen met het Aspergersyndroom als ze xtc nemen? Het leek op dat moment op een grote openbaring, maar als je er over nadenkt is het nogal een logische vraag.

Het internet was ondertussen een belangrijk trefpunt geworden voor een diverse en groeiende autismegemeenschap, dus keek ik naar wat mensen hier allemaal vertelden. Een van de eerste dingen die ik las was het verhaal van een jongeman die alles op een rijtje had gezet en xtc had gebruikt als hulp met zijn sociale uitdagingen. Hij ging bewust naar een feestje waar hij de xtc nam en had het geweldig naar zijn zin. Maar op een gegeven moment werd iedereen dronken en rumoerig en werd deze chaos oncomfortabel voor hem, dus ging hij verder naar een nachtclub. Toen deze vervolgens sloot, voelde hij zich zo verslagen dat hij ’s nachts de straat op ging, in de hoop met iemand te kunnen praten. En ook hier reageerde ik met mijn gevoel op iemands onnodige pijn: waarom is deze jongeman, die slechts menselijk contact wil, genoodzaakt om ’s nachts door de straten te zwerven? Dit is gewoon verkeerd. Als maatschappij moeten we meer weten over hoe we mensen kunnen steunen die verbondenheid willen maar wie het daarvoor aan natuurlijke vaardigheden ontbreekt. Dus besloot ik om mijn best te doen om bruggen te bouwen binnen de autismegemeenschappen en zoveel te leren als ik kon zodat ik mensen kon interviewen met een voldoende graad van zekerheid dat ze de waarheid spraken. Als eerste stap besloot ik om een inductief onderzoek met gemengde methoden te doen, met de nadruk op kwalitatieve data. Ik leerde van autistische volwassenen waar ze mee worstelden en wat ze wilden. Vervolgens documenteerde ik wat ze deelden zo objectief mogelijk door een thematische inhoudsanalyse toe te passen.

Wat heb je hieruit geleerd?

De samenvattingen van de kwalitatieve data zijn erg interessant om te lezen. Ik heb grafieken gemaakt om de hoge percentages mensen te laten zien die dingen zeiden als: “Ik ben meer op mijn gemak in sociale omstandigheden”, of “Ik kan beter mijn emoties uiten”. Een aantal van de tabellen lijken te mooi om waar te zijn. De data zijn nauwkeurig gerapporteerd, maar gedeeltelijk vanwege zelfselectie-onzuiverheid was het waarschijnlijker dat mensen met een positieve ervaring een rapportage uitbrachten. Ik maakte me zorgen over de negatieve ervaringen, waar misschien minder verslagen van binnenkwamen. Dus verwijderde ik een aantal vragen over positieve effecten en hengelde ik meer naar de negatieve ervaringen om een evenwicht te behouden. Maar er was gewoon slechts een klein percentage negatieve verslagen.

Sommige mensen zijn duidelijk non-responders. We hebben dat in klinisch onderzoek gezien, en er zijn theorieën over verschillende enzymen en genen die invloed hebben op het metabolisme. Naarmate er meer onderzoek wordt gedaan, denk ik dat er een percentage mensen, van misschien rond de 10-15%, zal kunnen worden vastgesteld die er een atypisch metabolisme op nahouden. Er zijn bijvoorbeeld mensen die MDMA gebruiken van dezelfde partij als anderen, maar wanneer iedereen liefdevol aan het knuffelen is, voelen zij zich slechts alsof ze een sterke kop koffie hebben gedronken, zonder sterke empathogene effecten. Wanneer je met deze mensen praat, zeggen ze vaak dat ze hogere doseringen verdovingsmiddelen nodig hebben of andere atypische reacties op medicatie vertonen.

De thema’s die naar voor kwamen uit de – voornamelijk kwalitatieve – onderzoeksdata uit mijn scriptie waren in vijf groepen samen te brengen, ik noemde ze de “vijf C’s” als geheugensteun. De types van gemelde veranderingen hingen vaak rondom moed (courage) of vertrouwen (confidence), dat is de eerste C. Ik gebruik graag de analogie met de Tovenaar van Oz. De verandering die kan plaatsvinden kan lijken op die van de bange leeuw, die zijn moed weer vindt: alsof je je moed altijd al had, maar ervan vervreemd was geraakt en ze weer terugvond. Die toename in moed is haast lichamelijk te voelen: “Ik was dapper”, “Ik kon dansen”, “Ik kon flirten”, “Ik kon zeggen wat ik nooit durfde te zeggen”, of “Ik kon mensen bellen om iets sociaals te gaan doen”. De volgende C is communicatie: nadat Dorothy en de vogelverschrikker de tinnen man hadden geolied kon hij vrijer praten en gebaren. Er is een toename in communicatiegemak en een beter luistervermogen. Veel mensen zeiden dat het voelde alsof ze lichaamstaal konden interpreteren of alsof ze veel beter in non-verbale communicatie konden participeren. Een andere C is connectie: zoals verbondenheid met familieleden, het op een andere manier begrijpen van mensen met wie ze een significante connectie hebben, ze staan meer open voor fysieke intimiteit, of ervaren meer verbinding binnen een groep in plaats van zich geïsoleerd te voelen. Meer dan een persoon beschreef dit hervonden gevoel van connectie vergelijkbaar met hoe de tinnen man zich bewust werd van zijn hart dat er altijd al was. De vierde C staat voor gemeenschap (communion), wat verder ging dan connectie, een soort dieper gevoel van delen, misschien zelfs met spirituele connotaties. Het gevoel hebben deel te zijn van iets groters, een eenheid van bewustzijn of een piekervaring van een gevoel van diepgaande empathie. De laatste C was het meest verrassend: helderheid (clarity) of kalmte (calm). Helderheid van mentale en emotionele processen. Dit effect was iets dat eerder uniek leek voor deze populatie, in vergelijking met wat neurotypische mensen te melden hebben. Veel geïnterviewden zeiden dingen als: “Mijn hersenen waren voor het eerst in mijn leven stil.” Of: “Ik kon me op een ding tegelijk concentreren”. “Mijn innerlijke wereld was helder”. “Ik kon me perfect focussen, mijn gedachten werden rechtgetrokken”. Dit laatste thema was voor mij echt opvallend, omdat ik het niet had verwacht, afgaande op de andere ervaringen waarover ik had gelezen.

Is het niet moeilijk voor autistische mensen om iets illegaals te doen door MDMA te gebruiken? Is dat geen belemmering voor ze?

Autistische volwassenen zijn een zeer heterogene populatie, iedereen is uniek, dus ik probeer niet meer in stereotypen te denken. Maar ja: in een cirkeldiagram dat alle autistische volwassen moet voorstellen, is er een groot deel dat in de meeste gevallen liever de regels volgt. Een ander, gerelateerd, segment bestaat uit mensen die zich sterk identificeren met hun cognitie: hun gedachten zijn op een bepaalde manier gelijk aan hun Zelf. Dus voor hen is het een afschrikwekkend idee om iets te doen wat hun cognitieve processen kan aantasten. Maar die grenzen gelden niet voor iedereen. Er zijn veel mensen binnen het autismespectrum die aandacht besteden aan wat de wetenschap hier allemaal over te zeggen heeft. Toen ik ze bijvoorbeeld vroeg over de kwaliteit van de MDMA die ze namen, was ik verrast over het aantal jonge respondenten die zeiden dat ze een Marquis reagens hadden gebruikt om het te testen. Ze waren erg goed op de hoogte. Dus wetenschap is wetenschap, en als de data een ander verhaal vertellen, volgen ze de feiten. Ook hebben veel mensen hun eigen ervaringen in de echte wereld die invloed hebben op hoe ze over MDMA denken. Het kan zijn dat ze vrienden hebben gezien die na een fantastische ervaring veranderd waren. Sommige mensen gaan ervoor, anderen laten het links liggen.

Laten we het hebben over jouw eigen klinisch onderzoek, dat werd ondersteund door dit proefschrift. Je bestudeert de effecten van MDMA-ondersteunde therapie voor sociale angst bij autistische volwassenen. Waarom kunnen deze mensen niet worden geholpen met andere, meer conventionele methoden – vooral voor sociale angst, waarvoor er veel medicatie bestaat?

Er bestaat onderzoeksliteratuur waarin gesuggereerd wordt dat de receptoren in autistische hersenen bijvoorbeeld atypisch reageren op benzodiazepines. Er zijn structurele verschillen in de hersenen, en er is niet zoiets als een uniform autistisch brein. En het klopt ook wel als je er over nadenkt: conventionele psychodynamische therapie heeft haar effectiviteit niet echt bewezen voor mensen binnen het autismespectrum. Helaas kregen in het verleden de autistische cliënten hier de schuld van, er van uitgaande dat ze zichzelf niet kunnen uiten of verbinden. Maar ik heb mijn blik verlegd naar de clinici die nooit de moeite hebben genomen om te leren beseffen hoe het is om autistisch te zijn. Dus ben ik de obstakels voor therapie gaan beschouwen als een wederzijdse uitdaging tot inzicht. Veel autistische cliënten, en ik generaliseer hier, zijn erg pragmatisch. Ze willen instrumenten om een probleem aan te pakken dat ze in het hier en nu ervaren. Ze kunnen in eerste instantie minder geïnteresseerd zijn in het praten over wat ze hebben meegemaakt toen ze vijf jaar oud waren. Het proces waarbij wordt gewerkt met archetypes en analogieën en metaforische concepten is misschien niet zo effectief voor hen. Om een noodzakelijke empathische therapeutische band te bewerkstelligen zijn er misschien langs beide kanten uitdagingen.

In ons onderzoek gebruiken we psychoeducatie om mindfullnessvaardigheden aan te leren, gebaseerd op dialectische gedragstherapie (dialectic behavioural therapy of DBT), ontwikkeld door Marsha Linehan. DBT werd ontwikkeld om interpersoonlijke relaties, emotionele regulering en angsttolerantie effectiever te maken. Dit zijn sociale aanpassingsvaardigheden die vaak uitdagend zijn voor mensen binnen het autismespectrum, dus we dachten dat dit type therapie goed zou passen. Het is zo fundamenteel, en behulpzaam in verschillende domeinen. We hebben het mindfulnessmodule aangepast en het toegepast op een onderzoekssetting, omdat het een praktische levensvaardigheid is. Er zijn data die laten zien dat mindfulnesstherapieën effectief zijn voor mensen met autisme, en het creëert een vocabulaire dat we kunnen gebruiken tijdens sessies om deelnemers doorheen veranderde bewustzijnsstaten te helpen navigeren. Op die manier kunnen we de dialoog met ze behouden als ze zich voor het eerst in een nieuwe staat van bewustzijn bevinden waarin ze dingen niet uit kunnen spreken, door ze vragen te stellen als: “Wat doet je redelijke geest nu? En beschrijf eens wat de emotionele geest doet. Als je niet weet wat je nu moet doen, aanschouw dan slechts de ervaring. En als je er klaar voor bent, beschrijf dan wat je hebt geobserveerd.” Geen enkele deelnemer aan ons onderzoek had ooit eerder MDMA gebruikt, en we zien indicaties dat mindfulnessconcepten ze kunnen helpen navigeren door de MDMA-ervaring, zeker de eerste keer.

Op neuropsychologisch vlak zijn veel van de meest veelbelovende recente bevindingen gedaan binnen het gebied van de GABA-receptoren. Als dopamine te vergelijken is met het gaspedaal van een auto en dingen kan versnellen, is GABA als het rempedaal waarmee dingen stil kunnen worden gelegd. Recent onderzoek suggereert dat autistische hersenen dezelfde hoeveelheid GABA beschikbaar hebben als typisch ontwikkelende hersenen, maar de receptoren werken anders, zodat de rem niet zo makkelijk te bedienen is. Dit maakt het moeilijker om externe input uit te filteren en dus om te concentreren. Enkel GABA toevoegen werkt niet, omdat het verschil niet te maken heeft met hoeveelheid, maar met de manier waarop het gebruikt wordt. Ik denk dat het GABA-onderzoek ooit zal kunnen uitleggen waarom MDMA nuttig kan zijn voor autistische hersenen op manieren die uniek zijn voor die populatie. Maar eerst is er meer onderzoek nodig.

Eerder had je het over Gary Fisher. Hoe kijk je naar zijn onderzoek met autistische kinderen en tieners in de jaren 60, en wat heb je ervan geleerd?

Ik heb geleerd dat die methodologie vandaag de dag nooit goed zou zijn gekeurd. Een aantal van die onderzoeken waren weerzinwekkend! Ze stopten erg jonge, niet-sprekende kinderen in een kamer, gaven ze hoge doses en observeerden ze van achter een eenzijdige spiegel. De kinderen konden geen verbale toestemming geven, ze konden hun ervaringen niet verwoorden, ze konden niet om hulp vragen. Dus ik ben geen voorstander van het herhalen van deze onderzoeken.

Maar als je kijkt naar de verzamelde data, waren er meer positieve resultaten dan negatieve reacties, en dit kwam terug in het gedrag dat werd beschreven: glimlachen, lachen, kijken, fysiek contact zoeken, spel initiëren. Eigenlijk geldt dat voor de meeste populaties de set en setting invloed zullen hebben op de resultaten: sommige mensen zullen een moeilijkere ervaring hebben met hogere doseringen ongeacht wat je doet, en sommigen zullen in een euforische staat terechtkomen. Gary Fisher was getraind in klassieke psychoanalyse en psychodynamische benaderingen. Hij had zijn onderzoeksteam LSD laten nemen als onderdeel van hun training, zodat ze meer verbonden waren als team en meer empathische resonantie zouden hebben met de deelnemers aan het onderzoek. Hij had een veel meer humanistische, psychodynamische benadering, in tegenstelling tot het klassieke medische model waarbij parameters en gedrag in de gaten worden gehouden. Hij zag het belang van ondersteunende psychotherapie en van het scheppen van therapeutische relaties tussen de onderzoekers en de patiënten.

MDMA is nooit gebruikt tijdens de eerste golf van psychedelisch onderzoek. Waarom verkoos je MDMA boven andere, ‘klassiekere’, psychedelica?

Omdat MDMA bekendstaat voor zijn sociale effecten in klinische en niet-klinische omstandigheden. Voordat ik aan mijn opleiding psychologie begon, had ik ten onrechte het idee dat mensen met de diagnose Asperger geen empathie konden ervaren. Dat was wat me was verteld. Deze onterechte aanname functioneerde als een soort katalysator, maar ik ben anders gaan denken over autisme en empathie. Empathie is een brede overkoepelende term die veel domeinen van de menselijke cognitieve en emotionele ervaring omvat. Tegenwoordig ben ik geïnteresseerd in het onderzoek van Markram en Markram naar de Intense World Theory. In sommige gevallen kunnen sommige aspecten van empathie overmatig aanwezig zijn bij mensen met autisme. Aan de hand van de contacten die ik met autistische volwassenen heb gelegd kan ik je verzekeren dat veel van hen erg empathisch zijn. Het is vaak uitdagend voor ze omdat ze te veel voelen. Voor anderen is het moeilijk te begrijpen wat een ander denkt of voelt, maar als iemand om wie ze geven gekwetst is, zijn zij dat ook. Of als ze wordt uitgelegd hoe iemand zich vanbinnen voelt, kunnen ze daar om geven. In sommige gevallen zijn ze minder geneigd om subtiele, non-verbale hints te begrijpen. Dus er is een breed spectrum van manieren waarop mensen empathie kunnen ervaren, en ik ben niet op een kruistocht om empathie te implementeren met een pil. Maar er zijn ook andere manieren waarop MDMA-ondersteunde therapie nuttig kan zijn. Om bijvoorbeeld de prettige gevoelens van aanraking te ervaren, wat een uitdagend gebied kan zijn voor veel mensen binnen het spectrum, of om zich, voornamelijk op emotioneel gebied, beter verbaal te kunnen uiten. Resultaten uit andere onderzoeken laten zien dat MDMA meerdere positieve effecten kan hebben. Dus laten we de wetenschappelijke methode toepassen, samenwerken met autismegemeenschappen, en erachter komen of dit ook het geval is voor autistische volwassenen of niet.

Bijna alle deelnemers zijn nu behandeld. Kan je ons wat vertellen over de resultaten?

Omdat het een beperkt pilotonderzoek was om de uitvoerbaarheid en veiligheid te bekijken, en omdat het gaat om een gesponsord onderzoek, heeft de sponsor [fusion_builder_container hundred_percent=”yes” overflow=”visible”][fusion_builder_row][fusion_builder_column type=”1_1″ background_position=”left top” background_color=”” border_size=”” border_color=”” border_style=”solid” spacing=”yes” background_image=”” background_repeat=”no-repeat” padding=”” margin_top=”0px” margin_bottom=”0px” class=”” id=”” animation_type=”” animation_speed=”0.3″ animation_direction=”left” hide_on_mobile=”no” center_content=”no” min_height=”none”][MAPS, red.] de verplichting om de eerste resultaten te bekijken en te bepalen of we schade berokkenen. Als we kijken naar de resultaten van de eerste deelnemers, suggereren de gegevens dat we veilig verder kunnen gaan en dat de vroege trends neigen naar positieve resultaten. Dat is eigenlijk alles wat ik weet, omdat de onderzoekers nog steeds blind zijn voor de primaire metingresultaten. We houden wel een aantal van de andere evaluaties in de gaten. Om veiligheidsredenen bekijken we secundaire uitkomstmaten voor toestanden als stemming, stress en angst. We kijken ook naar factoren als zelfrespect, alexithymie (het onvermogen om emoties te identificeren of ze in woorden te uiten), de regulering en uiting van emoties,… Misschien zijn er andere resultaten dan de scores voor sociale angst die het nut van toekomstig onderzoek ondersteunen, tenminste, dat hopen we. Maar dat is helaas alles wat ik op dit moment kan zeggen.

Wat is je algemene indruk van het verloop van de sessies?

Over het algemeen zijn de volbrachte sessies erg goed gegaan. We hebben geen ernstige ongewenste voorvallen gehad, en er waren geen gevallen waar medische interventie nodig was. De hartslag en bloeddrukmetingen zijn nooit zorgwekkend geweest. Het is belangrijk om te begrijpen dat we met lagere doseringen werken, onder andere omdat een gedeelte van de input van mijn proefschriftonderzoek suggereerde dat op z’n minst een aantal individuen binnen het autismespectrum mogelijk gevoeliger kunnen zijn voor de effecten van MDMA, en hogere doseringen kunnen te stimulerend zijn en stress veroorzaken. Dit is een onderzoek om de dosering te bepalen, dus we nemen niet aan dat wat optimaal is voor een typisch ontwikkeld brein ook het beste is voor een autistisch brein. De eerste groep van zes patiënten kreeg 75 mg met een uitloop naar 100 mg, en de tweede groep van zes patiënten begon met 100 mg, en als ze dat goed tolereerden, gingen ze verder tot 125 mg. Iedereen tolereerde de verhoging, en niemand had een vervelende medisch negatieve ervaring die ons ervan zou weerhouden om de dosis te verhogen.

Over het algemeen was dat wat we hebben gezien positief en bemoedigend. De reacties zijn erg breed, van personen die als “non-responder” een minimale reactie hadden, tot anderen die meer transformatieve ervaringen hadden. Het is mogelijk dat sommige patiënten positief reageerden op placebo omdat ze nooit eerder psychotherapeutische hulp hadden ontvangen. Bij dit onderzoek onthullen we alle resultaten na zes maanden, om te bepalen wie geschikt is om verder te gaan naar Fase 2, dus ik weet in sommige gevallen wie de placebo en wie de MDMA had gekregen, en we hebben een breed scala aan reacties gezien. Dus het komt allemaal neer op de data. We zullen het grootste gedeelte van de initiële data voor Fase 1 in augustus 2016 hebben. Ik denk dat de publicatie op zich laat wachten tot begin 2017 op z’n vroegst.

Alicia Danforth is een van de sprekers op de ICPR conferentie, georganiseerd door Stichting OPEN.

[/fusion_builder_column][/fusion_builder_row][/fusion_builder_container]

DMT: De trip voorbij, mogelijk een veelzijdig medicijn

DMT-emergencyN,N-dimethyltryptamine, beter bekend als DMT, is een buitengewoon snelwerkend en krachtig psychedelicum. DMT kan worden genomen door het entheogene brouwsel ayahuasca te drinken, door het intraveneus of in de spieren te injecteren, of door het te inhaleren. Het wordt in verschillende planten en dieren van nature aangemaakt, inclusief in de mens. Zoals besproken in Jacobi en Presti (2005) heeft DMT, naast geest-veranderende effecten, ook een fysiologische werking. Zo zijn bijvoorbeeld anxiolytische en antidepressieve effecten aangetoond (Sanches et al, 2016).

DMT is niet alleen een agonist van serotonine 2A- en 2C-receptoren (5-HT2A and 5-HT2C); het bindt zich ook aan vermeende σ1-receptoren en spoor-amine-receptoren (Vitale et al. 2011). Daarenboven kunnen zijn serotonergische analogen immunoregulatie beïnvloeden en mogelijk zelfs carcinogenese voorkomen (Frecska et al. 2012). De veelzijdige interacties van DMT laten zien dat de effecten ervan niet beperkt blijven tot het centrale zenuwstelsel, maar mogelijk nog een crucialere rol spelen in de cellulaire beschermingsmechanismen van het lichaam (Frecska et al. 2012).

Dr. Ede Frecska heeft meerdere papers gepubliceerd over de effecten van ayahuasca en DMT op creativiteit, weefselregeneratie, en de interhemisferische fusie in veranderde bewustzijnstoestanden (Frecska et al. 2016). Nu recentelijk is ontdekt dat DMT de σ1-receptor – die een cruciale rol speelt bij de bescherming van het lichaam tegen oxidatieve stress – activeert, onderzoeken dr. Frecska en zijn team momenteel wat de rol van DMT is bij neurobescherming in de fase vóór de klinische dood (Frecska 2015).

σ1-Receptoren spelen een sleutelrol in neurobescherming door zowel neuronale ontwikkeling als morfogenese te reguleren. Dit geschiedt door middel van regulatie en manipulatie van oxidatieve stress en mitochondriale functies (Tuerxun et al. 2010). Agonisten van σ1-receptoren versterken neurobeschermende effecten door intracellulaire calcium-overbelasting tegen te houden en door de activering van pro-apoptopische genen te dwarsbomen, alsook door beschermende genen te activeren, zoals is aangetoond in beroertemodellen (Zhang et al. 2012). Dit leidt tot de afname van calciumneurotoxiciteit, voorkomt celdood door oxidatieve stress, en kan neuronale plasticiteit stimuleren (Kourrich et al. 2012). Een van de belangrijkste ontdekkingen is dat de voortdurende activatie van σ1-receptoren tijdens ischemie leidt tot een reductie van de neurotoxiciteit (Katnik et al. 2006). Uiteindelijk suggereert dit onderzoek dat DMT een rol zou kunnen spelen in het doen afnemen van hypoxie/anoxie-schade zoals lokale anoxie (bv. een beroerte) of algemene hypoxie (zoals bij een hartstilstand) (Kourrich et al. 2012).

De medicinale eigenschappen van DMT blijven niet beperkt tot neurobescherming, maar reiken mogelijk ook tot immunobescherming. De 5-HT2A– en ook de sigma-receptoren kunnen het immuunsysteem van het lichaam diepgaand beïnvloeden. Serotonine speelt een belangrijke rol in cellulaire immuunfuncties, en meer in het bijzonder in het onschadelijk maken van pathogenen en kankercellen (O’Connell et al. 2006). Agonisten van de σ1-receptoren- kunnen niet alleen de productie van anti-inflammatoire cytokinen doen toenemen, maar ook pro-inflammatoire cytokinen doen afnemen. Beide processen zijn van belang bij het terugdringen van celschade in geval van verwondingen of ziekte (Frecska et al. 2012).

Of DMT ook vrijkomt tijdens bijna-doodervaringen blijft voorlopig nog speculatief, aangezien er maar weinige parallellen bestaan tussen deze ervaringen en DMT-visioenen (Strassman 2001). Echter, men zou op basis van de huidige – beperkte – kennis in dezen de hypothese kunnen maken dat DMT wordt geproduceerd in levensbedreigende situaties. McEwen en Sober (1967) hebben aangetoond dat konijnen die extreme omgevingsstress ondergaan aanzienlijke hoeveelheden DMT aanmaken in hun longen, die vervolgens worden afgegeven aan het bloed (McEwen & Sober 1967). De DMT wordt daarna doorheen de neurale membranen naar synaptische blaasjes getransporteerd en aan de hersenen afgeleverd. Rekening houdend met de relatie tussen DMT en σ1-receptoren, wordt de hypothese gehanteerd dat DMT opgebouwde oxidatieve stress beperkt of omkeert. Dit fungeert als de basis van de hypothese van dr. Frecska, en als er bewijs wordt gevonden voor de rol van DMT in de neurobescherming van het menselijke brein in de fases voorafgaand aan klinische dood, dan zou DMT mogelijk gebruikt kunnen worden in de spoedeisende geneeskunde. Als dit slaagt, dan zou je je kunnen voorstellen dat ampullen DMT zullen worden gebuikt in ambulances, operatiekamers en rampgebieden. Klinisch onderzoek met mensen is nog wel nodig om te bepalen of dit wel of niet haalbaar is.

Ook al richt het onderzoek van dr. Frecska zich op preklinische studies met ratten, zijn onderzoek heeft verder gekeken dan de louter hallucinogene relevantie van DMT en heeft perspectieven geopend voor verder onderzoek naar de neurobeschermende rol van DMT. De mogelijke medische gevolgen hiervan zijn aanzienlijk. De toepassingen van DMT liggen misschien nog wel voorbij wat we ons kunnen voorstellen, en verdienen het zeker om systematisch te worden onderzocht.

Referenties

Frecska, E., 2015. What role does the ‘spirit molecule’ DMT play in the brain?. [fusion_builder_container hundred_percent=”yes” overflow=”visible”][fusion_builder_row][fusion_builder_column type=”1_1″ background_position=”left top” background_color=”” border_size=”” border_color=”” border_style=”solid” spacing=”yes” background_image=”” background_repeat=”no-repeat” padding=”” margin_top=”0px” margin_bottom=”0px” class=”” id=”” animation_type=”” animation_speed=”0.3″ animation_direction=”left” hide_on_mobile=”no” center_content=”no” min_height=”none”][Online] Available at: http://walacea.com/campaigns/dmt

Frecska, E., Bokor, P. & Winkelman, M., 2016. The Therapeutic Potentials of Ayahuasca: Possible Effects against Various Diseases of Civilization. Frontiers in Pharmacology, p. 10.3389.

Frecska, E. et al., 2012. A possibly sigma-1 receptor meditated dole of dimethyltryptamine in tissue protection, regeneration and immunity. Translational Neuroscience, pp. 1-18.

Jacob, M. & Presti, D., 2005. Endogenous psychoactive tryptamines reconsidered: an anxiolytic role for dimethyltryptamine.. Medical Hypotheses, 64(5), pp. 930-7.

Katnik, C. et al., 2006. Sigma-1 receptor activation prevents intracellular calcium dysregulation in cortical neurons during in vitro ischemia. Journal of Pharmacology and Experimental Therapeutics, Band 319, pp. 1355-1365.

Kourrich, S., Tsung-Ping, S., Fujimoto, M. & Bonci, A., 2012. The sigma-1 receptor: roles in neuronal plasticity and disease. Trends Neuroscience, 35(12), pp. 762-771.

McEwen, C. & Sober, A., 1967. Rabbit serum monoamine oxidase. The Journal of Biological Chemistry, Band 242, pp. 3068-3078.

O’Connell, P. et al., 2006. A novel form of immune signaling revealed by transmission of the inflammatory mediator serotnin between dendritic cells and T cells. Blood, Band 107, pp. 1010-1017.

Sanches, R. F. et al., 2016. Antidepressant Effects of a Single Dose of Ayahuasca in Patients With Recurrent Depression: A SPECT Study. Journal of Clinical Psychopharmacology, 36(1), pp. 77-81.

Strassman, R., 2001. DMT: The Spirit Molecule. First Hrsg. Rochester: Park Street Press.

Strassman, R. & Qualis, C., 1994. Dose-response study of N,N-dimethyltryptamine in humans. I. Neuroendocrine, autonomic, and cardiovascular effects. Archives of General Psychiatry, pp. 85-97.

Tuerxun, T. et al., 2010. SA4503, a sigma-1 receptor agonist, prevents cultured cortical neurons from oxidative stress-induced cell death via suppression of MAPK pathway activation and glutamate receptor expression. Neuroscience Letters, Band 469, pp. 303-308.

Zhang, Y. et al., 2012. Sigma-1 receptor agonists provide neuroprotection against gp12- via a change in bel-2 expression in mouse neuronal cultures. Brain Research, Band 1431, pp. 13-22.

[/fusion_builder_column][/fusion_builder_row][/fusion_builder_container]

Hersenscans onthullen de werking van LSD op het menselijke brein

Opnieuw hebben onderzoekers van het Psychedelic Research Programme, opgezet in samenwerking tussen de Beckley Foundation en het Londense Imperial College, baanbrekend onderzoek gepubliceerd naar de effecten van psychedelica op de hersenen. Deze trendsettende studies zijn de eerste waarbij multimodale neuro-beeldvorming is toegepast op deelnemers die met LSD waren geïnjecteerd. Gebruikmakend van fMRI BOLD, arterial spin labelling en magnetoencephalografie (MEG), hebben dr. Carhart-Harris en zijn collega’s van het Imperial College London de effecten van lysergeenzuurdi-ethylamide (LSD) op de netwerkcommunicatie, bloeddoorstroming en elektrische activiteit van de hersenen onthuld (Carhart-Harris et al., 2016).

Uit deze neuro-beeldvormingsonderzoeken hebben onderzoekers een nieuw en belangrijk inzicht gekregen in de basis van de ontbinding van het ego, de manier waarop ‘closed-eye visuals’ ontstaan en de effecten van de combinatie van LSD en muziek in het brein. De onderzoeken werden gedaan met 20 deelnemers die de ene keer 75µg LSD kregen ingespoten en de andere keer een placebo, met minstens twee weken er tussenin. Alle deelnemers hadden al ervaring met psychedelica.

Om de activiteit van verschillende hersengebieden en hun interconnecties gedurende LSD-invloed te evalueren, werd gebruik gemaakt van functional magnetic resonance imaging (fMRI), gebaseerd op de evaluatie van bloedzuurstofniveau-afhankelijk contrast (blood oxygen level dependent, ‘BOLD’). De scans werden uitgevoerd in een staat van rust, d.w.z. zonder externe stimuli of specifieke cognitieve taken. Daarna werden de niveaus van (des)integratie/(de)segregatie geëvalueerd, waarbij bepaalde interessante gebieden werden uitgelicht om hun interactie met de andere hersengebieden te analyseren.

[fusion_builder_container hundred_percent=”yes” overflow=”visible”][fusion_builder_row][fusion_builder_column type=”1_1″ background_position=”left top” background_color=”” border_size=”” border_color=”” border_style=”solid” spacing=”yes” background_image=”” background_repeat=”no-repeat” padding=”” margin_top=”0px” margin_bottom=”0px” class=”” id=”” animation_type=”” animation_speed=”0.3″ animation_direction=”left” hide_on_mobile=”no” center_content=”no” min_height=”none”]

LSD - Global FCD
Gemiddelde functionele connectiviteitsdichtheid (FCD) in corticale en subcorticale gebieden onder invloed van placebo en LSD – Tagliazucchi et al., 2016.

Een van de belangrijkste bevindingen uit het onderzoek was dat LSD een toename van geglobaliseerde communicatie tussen verschillende hersenregio’s bewerkstelligt. Door gebruik te maken van positron emissie tomografie (PET) ontdekten de onderzoekers dat het hoogste niveau van dergelijke communicatie plaatsvond in de gebieden met de hoogste dichtheid van serotonine-2A (5-HT2A) receptoren, aangezien LSD als een antagonist voor dit type receptoren werkt. Een interessant aspect hiervan is dat deze hogere interactie tussen hersengebieden overeenkomt met een lagere integratie binnen bepaalde netwerken. In totaal werden door de studie 12 ‘resting state networks’ geïdentificeerd die op deze manier door LSD werden beïnvloed, waarbij het defaultnetwerk (of default mode network, DMN) voor dit onderzoek het belangrijkste was.

Ontbinding van het ego

Het DMN is het netwerk in de hersenen dat geactiveerd wordt wanneer een persoon ruststaten zoals dagdromen ervaart, en gedeactiveerd raakt gedurende doelgerichte taken. Volgens het huidige onderzoek is de desintegratie binnen het DMN rechtstreeks gerelateerd aan het ontstaan van een bewustzijnstoestand die meestal wordt beschreven als een ontbinding van het ego. De ontbinding van het ego is de subjectieve ervaring van het verliezen van het gevoel van identiteit. Het wordt ook wel beschreven als eenheid met de buitenwereld of met het universum, voortgebracht door het vervagen van de grenzen van het autonome zelf. De vragenlijst over veranderde staten van bewustzijn die aan het eind van elke scandag werd gebruikt, onthulde dat de ontbinding van het ego gecorreleerd is aan de ervaring van veranderde betekenis, i.e. het hechten van belang aan objecten die eerder onbelangrijk werden geacht en het verlenen van een nieuwe, vreemde betekenis aan de omgeving. Ook andere hersengebieden, zoals het salience netwerk en de thalamus, werden in verband gebracht met de staat van ego-ontbinding.

[/fusion_builder_column][fusion_builder_column type=”1_1″ background_position=”left top” background_color=”” border_size=”” border_color=”” border_style=”solid” spacing=”yes” background_image=”” background_repeat=”no-repeat” padding=”” margin_top=”0px” margin_bottom=”0px” class=”” id=”” animation_type=”” animation_speed=”0.3″ animation_direction=”left” hide_on_mobile=”no” center_content=”no” min_height=”none”]

LSD - Ego dissolution
Hersengebieden waar een significante correlatie werd gevonden tussen FCD en subjectieve meldingen van ego-ontbinding (LSD min placebo) staan rood gekleurd. Hersengebieden waar zich de meest selectieve correlaties voordoen tussen toenames van FCD en scores voor ego-ontbinding staan groen gekleurd – Tagliazucchi et al., 2016

De desintegratie van het DMN en andere rust-netwerken ging tevens gepaard met een verzwakking van de alfa hersengolven in gebieden zoals de cortex cingularis posterior (of posterior cingulate cortex / PCC). Over reguliere alfagolven bestaat de hypothese dat ze spontane neurale activiteit, d.w.z. die zonder blootstelling aan stimuli optreedt, tegenhouden (Tagliazucchi et al., 2016). Het bleek dat LSD de alfakracht doet afnemen en daarmee spontane activiteit in neuronen veroorzaakt, een effect dat de visuals bij gesloten ogen, die gepaard gaan met de LSD-ervaring, deels zou kunnen verklaren.

De werking van visuals bij gesloten ogen

In het onderzoek naar door LSD opgeroepen closed-eye visuals werden opvallende resultaten binnengehaald. De onderzoekers keken zowel naar eenvoudige beelden zoals geometrische patronen, als naar complexe beelden, waaronder autobiografische scènes, die zich onder LSD voordeden. Het onderzoek toonde aan dat, ook al was er geen visuele input, de visuele cortex (VC) zich onder invloed van LSD toch gedroeg alsof die er wel was (Carhart-Harris et al., 2016). Deze observatie ondersteunt huidige theorieën die zeggen dat het verschijnen van geometrische beelden wellicht veroorzaakt wordt door de opgewekte instabiliteit van de VC (Butler et al., 2011).

Naast een toename in het niveau van bloeddoorstroming vertoonde de VC ook een toegenomen functionele connectiviteit met andere hersendelen, met name de cortex parahippocampalis (of PHC), die betrokken is bij het oproepen van herinneringen, door muziek veroorzaakte emoties, en mentale beeldvorming. De onderzoekers gebruikten een Dynamic Causal Modelling-analyse om een toegenomen effectieve connectiviteit tussen de VC en de PHC aan te tonen, waarbij de PHC de activiteit van de VC veroorzaakte. De verwevenheid van deze hersengebieden kan verantwoordelijk worden gehouden voor het ‘kleuren’ van persoonlijke herinneringen die de deelnemers onder LSD ervoeren. Naast de PHC werden andere hersenregio’s zoals die in de occipitale en inferiore frontale kwab ook geactiveerd, wat tot de conclusie leidt dat onder invloed van LSD een veel groter deel van de hersenen betrokken is bij het voortbrengen van beelden dan in de normale waaktoestand.

De invloed van muziek

Veder kwam het grote belang van muziek tijdens de psychedelische ervaring uit het onderzoek naar boven. Mendel Kaelen, promovendus aan het Imperial College London en directielid van Stichting OPEN, onderzocht de synergistische effecten van muziek tijdens de LSD-ervaring (Kaelen et al., 2016). Er werden drie fMRI-scans uitgevoerd, de eerste en derde zonder muziek, en de tweede terwijl de deelnemers naar muziek luisterden (twee fragmenten uit het album Yearning van de ambient artiest Robert Rich en de Indische klassieke muzikante Lisa Moscow).

Het onderzoek liet zien dat de PHC hevig geactiveerd raakt wanneer deelnemers aan muziek en LSD blootgesteld worden. Bovendien correspondeerde de toename van interactie tussen de PHC en de visuele cortex met de intensiteit van de closed-eye visuals, zowel de eenvoudige (geometrische patronen) als de complexe (bv. gebaseerd op persoonlijke herinneringen). Dit benadrukt het belang van het verwerken van muziek in LSD-ondersteunde therapie.

Kennis uitbreiden

De bevindingen van dit onderzoek met LSD verstevigen de basis van de kennis die vergaard is in experimenten met andere psychedelica. Van psilocybine is aangetoond dat het vergelijkbare effecten heeft op hersenactiviteit, met inbegrip van de desintegratie in bepaalde gebieden zoals het defaultnetwerk en het ontstaan van nieuwe verbindingen tussen netwerken die normaliter gesegregeerd zijn. Deze conclusies kwamen voort uit twee onafhankelijke onderzoeken, waarvan er één werd uitgevoerd door de auteurs van het onderhavige LSD-onderzoek (Carhart-Harris et al., 2012, Kometer et al., 2015). Weer een andere onderzoeksgroep ontdekte soortgelijke effecten op de menselijke hersenen van ayahuasca, een psychedelicum uit het Amazonegebied (Riba et al., 2002).

De resultaten van dit baanbrekende onderzoek hebben een aantal belangrijke implicaties. Ten eerste geven ze een begin van neurologisch inzicht in het therapeutisch potentieel van LSD. Door zijn ‘entropische’ effect op de hersenen – de toename van desintegratie binnen en tegelijkertijd toename van interactie tussen bepaalde hersengebieden – heeft LSD potentieel om pathologische patronen, die worden geassocieerd met bijvoorbeeld depressie, af te breken, en zo de effectiviteit van psychotherapie te vergroten.

Het onderzoek heeft tevens aangetoond dat LSD potentieel heeft om van nut te zijn bij de studie naar de neurobiologie van het bewustzijn, gezien het feit dat het deelnemers in de zogenaamde ‘primitieve bewustzijnstoestand’ lijkt te brengen, die karakteristiek is voor de vroege stadia van bewustzijnsontwikkeling in kinderen, voor REM-slaap en voor de beginfase van psychose (Carhart-Harris et al., 2016). Dit betekent ook dat LSD zou kunnen worden toegepast in psychologische studies in het onderzoek naar pathologieën (Carhart-Harris et al., 2016).

Naast de korte-termijneffecten van LSD op de hersenchemie is tevens meer onderzoek nodig naar het potentieel van LSD-ervaringen om blijvende persoonlijkheidsveranderingen teweeg te brengen.

Robin Carhart-Harris en Mendel Kaelen zullen beiden spreken op de ICPR conference, die stichting OPEN in juni 2016 zal houden.

Referenties:

Butler T. C., Benayoun M., Wallace E., van Drongelen W., Goldenfeld N. and Cowan J. (2012). Evolutionary constraints on visual cortex architecture from the dynamics of hallucinations. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America, 606-609. https://dx.doi.org/10.1073/pnas.1118672109

Carhart-Harris R. L., Errizoe D., Williams T., Stone J. M., Reed L. J., Colasanti A., Tyacke R.J., Leech R., Malizia A.L., Murphy K., Hobden P., Evans J., Feilding A., Wise R.G. and Nutt D.J. (2012). Neural correlates of the psychedelic state as determined by fMRI studies with psilocybin. Proc. Natl. Acad. Sci. USA 109, 2138–2143. https://dx.doi.org/10.1073/pnas.1119598109

Carhart-Harris R. L., Muthukumaraswarmy S., Roseman L., Kaelen M., Droog W., Murphy K., Taggliazzuchi E., Schenberg E.E., Nest T., Orban C., Leech R., Williams, L., Williams T., Bolstridge M., Sessa B., McGoniglea J., Sereno M., Nichols D., Hellyer P.J., Hobden P., Evans J., Singh K.D., Wise R.G., Curran V., Feilding A. and Nutt D.J. (2016) Neural Correlates of the LSD Experience Revealed by Multimodal Neuroimaging. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America, 1-6. https://dx.doi.org/10.1073/pnas.1518377113

Kaelen M., Roseman L., Kahan J., Santos-Ribeiro A., Orban C., Lorenz R., Barett F.S., Bolstridge M., Williams T., Williams L., Wall M.B., Feilding A., Muthukumuraswamy S., Nutt D.J and Carhart-Harris, R. (2016) LSD modulates music-induced imagery via changes in the parahippocampal connectivity. European Neuropsychopharmacology, 1-10. http://dx.doi.org/10.1016/j.euroneuro.2016.03.018

Kometer M., Pokorny T., Seifritz E. and Vollenweider F.X. (2015) Psilocybin-induced spiritual experiences and insightfulness are associated with synchronization of neuronal oscillations. Psychopharmacology (Berl) 232(19):3663–3676. https://dx.doi.org/10.1007/s00213-015-4026-7

Riba J., Anderer P., Morte A., Urbano G., Jané F., Saletu B. and Barbanoj M.J. (2002) Topographic pharmaco-EEG mapping of the effects of the South American psychoactive beverage ayahuasca in healthy volunteers. Br J Clin Pharmacol 53(6):613–628. https://dx.doi.org/10.1046/j.1365-2125.2002.01609

Tagliazucchi E., Roseman L., Kaelen M., Orban C., Muthukumaraswamy S. D., Murphy K., Laufs H., Leech R., McGonigle J., Crossley N., Bullmore E., Williams T., Bolstridge M., Feilding A., Nutt D.J. and Carhart-Harris R. (2016). Increased Global Functional Connectivity Correlates with LSD-Induced Ego Dissolution. Current Biology, 26, 1-8. http://dx.doi.org/10.1016/j.cub.2016.02.010

[/fusion_builder_column][/fusion_builder_row][/fusion_builder_container]

[Interview] Nicolas Langlitz: Een Antropoloog in Psychedelia

[fusion_builder_container hundred_percent=”yes” overflow=”visible”][fusion_builder_row][fusion_builder_column type=”1_1″ background_position=”left top” background_color=”” border_size=”” border_color=”” border_style=”solid” spacing=”yes” background_image=”” background_repeat=”no-repeat” padding=”” margin_top=”0px” margin_bottom=”0px” class=”” id=”” animation_type=”” animation_speed=”0.3″ animation_direction=”left” hide_on_mobile=”no” center_content=”no” min_height=”none”]

Nicolas Langlitz doing fieldwork
De antropoloog als proefpersoon. Met dank aan N. Langlitz

‘Neuropsychedelia: The Revival of Hallucinogen Research since the Decade of the Brain’, Nicolas Langlitz’ boek uit 2013 over de wederopstanding van psychedelisch onderzoek, geeft een fascinerende analyse van hoe psychedelica opnieuw onderwerp zijn geworden van laboratoriumonderzoek met menselijke deelnemers. Volgens Langlitz heeft het ‘decennium van de hersenen’ (denk aan de jubelstemming over het menselijk genoomproject in de jaren ’90) legitimiteit verschaft aan een nieuw kader voor het onderzoek naar psychedelica, met een belofte van ‘moksha in het tijdperk van de soma’. Het boek volgt psychofarmacologische ontwikkelingen sinds de jaren ’90 aan de hand van twee belangrijke locaties – het laboratorium van Franz X. Vollenweider voor menselijk onderzoek in Zürich en Mark A. Geyers dierenlab in San Diego. Langlitz’ etnografische materiaal is verweven met historische analyses en vragen over psychedelica, technologische bemiddeling en mysticisme, en biedt een overtuigend verhaal over hoe we in de huidige situatie zijn aangekomen. Neuropsychedelia is een prachtig en verhelderend boek voor wie geïnteresseerd is in het groeiende veld van psychedelisch onderzoek, waar het vandaan komt, en wat erbij op het spel staat.

Wat vond u tijdens uw onderzoek opmerkelijk?

Ik ging er in eerste instantie van uit dat er heel verschillende interpretaties waren van de werking van psychedelische medicijnen: enerzijds heb je de ‘hallucinogene’ opvatting – drugs die hallucinaties oproepen, een complete breuk met de realiteit. Het is een verkeerde term, want mensen hebben bijna nooit echte hallucinaties met psychedelica, maar hij geeft wel richting aan de praktijk van het onderzoek gebaseerd op modelpsychose. Anderzijds was er de psycholytische interpretatie, vooral in de Europese psychotherapie, die aannam dat deze middelen toegang gaven tot het onbewuste. De conceptualisering als ‘psychedelica’ viert nog altijd hoogtij. Die gaat ervan uit dat deze stoffen ons in contact brengen met een kosmisch bewustzijn dat oneindig veel groter is dan onze individuele geesten. Ik dacht dat mensen zichzelf zouden opstellen in kampen van de ene dan wel van de andere interpretatie. Filosofisch gezien leken ze mij nogal onverenigbaar. Dus ik stond perplex dat, elke keer dat ik deze logica achter mijn onderzoek te berde bracht, het trachten te begrijpen hoe men door deze onverenigbaarheid heen navigeerde, mensen gewoon hun schouders ophaalden, en me zeiden dat ze al deze interpretaties gewoon tegelijk konden bezigen.

Hoe kan dat?

Psychedelica zijn geen middelen die gewoon één ding doen. Hun werking is zeer afhankelijk van de context waarin ze gebruikt worden. Ze openen echt verschillende dingen bij verschillende mensen. Ze kunnen ook dingen sluiten, zoals dat gebeurt bij psychotische reacties, die ook voorkomen. Bovendien is het een kwestie van dosis: het verschil tussen psychedelische en psycholytische therapie is altijd gerelateerd geweest aan de hoeveelheid van het middel dat therapeuten hun cliënten gaven. Het verschil in interpretaties heeft ook te maken met de verschillende facetten van deze substanties, en niet alleen met de mensen die ze beschouwen. Psychedelica lijken meer gezichten te hebben dan wat volgens de reguliere farmacologie mogelijk is.

Uw hoofdstuk ‘Enacting Experimental Psychoses’ (‘Experimentele psychoses veroorzaken’) laat hier op een heel mooie manier iets van zien. Ik denk dat men heel vaak hoort dat het verschil tussen psycholytische en psychedelische therapie er een is van dosis, terwijl het verschil tussen een mystieke en een psychotische ervaring wordt toegeschreven aan een diepgeworteld verschil in veronderstellingen.

Ik weet ook wel zeker dat het verschil tussen psycholytische en psychedelische ervaringen niet helemaal herleid kan worden tot een verschil in dosis. Het zal ook worden bepaald door de uiteenlopende therapeutische filosofieën die iemand met een psychoanalytische achtergrond met zich meebrengt, in vergelijking met iemand die bijvoorbeeld een achtergrond in transpersoonlijke psychologie heeft.

Meer algemeen geldt dat antropologen geconfronteerd worden met het probleem dat mensen vaak onsamenhangend zijn. We houden er allemaal verschillende overtuigingen op na, en tenzij je een academische beweegreden hebt om ze in samenspraak te brengen zodat je ze op een congres kunt verdedigen, leven we allemaal rustig door met onze inconsequente overtuigingen. Als je etnografie gebruikt om een filosofisch georiënteerde antropologie na te streven, dan kan dit verwarrend en zelfs frustrerend zijn, maar het maakt dit soort veldwerk tegelijkertijd interessant. Er bevinden zich spanningsvelden tussen de verschillende concepten die mensen hebben, en deze spanningen kun je door middel van gesprekken onderzoeken. Dit soort veldonderzoek gaat niet louter over het verzamelen van gegevens van zogenaamde informanten die het klappen van de zweep al kennen. Nee, ik deel vragen met mijn gesprekspartners, die zowel voor hen als voor mij van groot belang zijn, en we werken er samen doorheen. In het geval van Neuropsychedelia – meer bepaald met betrekking tot het werk dat ik in Vollenweiders lab deed – ging dat geweldig. Twee van de mensen die ik daar ontmoette reken ik nog steeds tot mijn meest dierbare vrienden.

Kunt u nog iets meer vertellen over de onsamenhangendheid die u aantrof in de interpretaties van de effecten van psychedelica?

Deze substanties zijn dingen met vele facetten, die verschillende effecten en toepassingen mogelijk maken. Doordat de psychoactieve effecten van het middel niet alleen worden veroorzaakt door de stof zelf, maar ook voortkomen uit interacties met de hersenen, persoonlijke situaties en overtuigingen van verschillende mensen, en uit interacties met de setting waarin het middel wordt gebruikt, etc., krijg je eigenlijk een meervoudigheid van psychoactieve effecten. Het is niet zo dat ik de loftrompet wil afsteken over logische inconsistentie. Ik denk gewoon dat wat op het eerste oog incoherent lijkt, kan worden verklaard als je in acht neemt hoe deze middelen werken.

Het project om deze middelen te verklaren – ziet u dat als een project om ze ‘coherent te maken’?

Ja. Ik denk dat je uiteindelijk wel een samenhangende verklaring kunt geven voor het feit dat mensen zulke uiteenlopende ervaringen hebben met deze stoffen. En daarbij hoef je niet te denken aan een uitleg in termen van de idee dat we allemaal in onze eigen wereld leven of een andere natuur hebben, zoals sommige van mijn collega’s antropologen tegenwoordig beweren.

Ik vond het mooi om te lezen over uw gesprekken met het hoofd van het Zwitserse lab, Franz Vollenweider. De manier waarop u aan het einde van het boek op hem terugkomt, suggereert respect, nieuwsgierigheid en affectie voor hem. Datzelfde geldt ook voor sommige andere personages. Zocht u in hen ook naar iets meer dan alleen gesprekspartners om deze vragen en spanningsvelden mee te doordenken?

Ten eerste is de manier waarop mensen zich tot deze psychedelica verhouden behoorlijk intiem. Daarom vergt het vriendschapsbanden om met anderen dieper na te denken over de ervaringen die ze teweegbrengen. Voor dit soort intellectueel werk is vriendschap een epistemische voorwaarde.

Aan deze relaties is ook een etnografische dimensie verbonden. Ik schrijf over mensen. Ik baan mij een weg door intellectuele posities en contradicties door ze toe te schrijven aan verschillende personages in het boek. Ik vond het belangrijk om met elk van hun standpunten genereus om te gaan omdat ze in eerste instantie alle een deel van de waarheid bezaten. Ik heb best wat empathie voor de mensen in het veld opgebracht, ook al hadden ze dat niet altijd met elkaar. Er zaten diepe meningsverschillen over wat deze substanties nu eigenlijk waren, hetgeen ook voor persoonlijke spanningen zorgde. Ik zag mijn rol een beetje als die van een diplomaat, die tussen verschillende kampen kan bewegen en die voor iedereen een welwillend klankbord kan zijn.

Vanuit etnografisch oogpunt was ik ook geïnteresseerd in wat voor plek psychedelica in onze levens kunnen innemen. Dus dat is niet alleen een vraag naar hoe we deze stoffen kunnen conceptualiseren, maar ook over de gebruiken en levens die mensen daadwerkelijk leven. Het laatste hoofdstuk van Neuropsychedelia, genaamd ‘Mystiek Materialisme’, gaat over de netelige relatie tussen wetenschap en persoonlijke ervaring. Veel onderzoekers zijn de psychedelische wetenschap ingegaan door hun eigen ervaringen met deze middelen. Maar hun eigen ervaringen worden systematisch aan de kant gezet in de hedendaagse psychofarmacologie.

Iemand die in verschillende jasjes de kop opsteekt in het boek is de Duitse socioloog Max Weber (1864-1920). U werkt door zijn onderscheid tussen mystieke en ascetische soorten religieuze ethiek heen. Dan is er nog het verhaal van de onttovering van de moderniteit en de bureaucratisering van de wetenschap, die als een rode draad door het boek heen loopt. En dan tot slot nog de vraag, wat het betekent voor een wetenschapper om gehoor te geven aan een roeping. Zijn dit nu allemaal afzonderlijk nuttige concepten om op te pikken, of was er een reden voor Webers voortdurende opduiken?

Weber worstelde met de spanningen die inherent zijn aan het modernisme, die hij zag veranderen in een ijzeren kooi, zowel in de vorm van bureaucratisering als in de vorm van de steeds verdergaande vernauwing van wetenschappelijke probleemstellingen, die culmineren in zeer goed gedefinieerde, maar uiteindelijk onzinnige onderzoeksvragen. Vragen zoals of een gegeven stof nu de 5HT2a– of de 5HT1A-receptor activeert, zijn extreem relevant om de betreffende werking te begrijpen, maar helpen je niet verder met de grotere vragen van het leven die deze middelen in het ervaringsgebruik oproepen. Ik heb getracht Weber niet als moderniteitstheoreticus op te voeren, maar hem veeleer in het historische narratief zelf te verweven. Toen hij in de jaren 1910 bijvoorbeeld Ascona bezocht, had hij in de Zwitserse Alpen contacten met een ‘counterculture’-gemeenschap, een halve eeuw voordat de term ‘counterculture’ werd geïntroduceerd. Deze professor van de Universiteit van Heidelberg zocht naar een levensontplooiing buiten de ‘ijzeren kooi’ van het universiteitsapparaat. In lijn met Webers analyse stelde de tegencultuur van de jaren ’60 haar psychedelische mysticisme tegenover de protestantse ethiek van het kapitalisme. Dus Weber is aanwezig doorheen de gehele geschiedenis van psychedelisch onderzoek.

Aan het einde van het boek bespreekt u twee deugden: zorgvuldigheid en overgave. Het voelt bijna alsof het boek culmineert in een advies om psychedelica met deze instelling te benaderen. Kunt u er iets over zeggen?

In 1918 spoorde Weber alle studenten van de Universiteit van München aan om op zoek te gaan naar de demon die de diepste vezels van hun leven gijzelde. Hij waarschuwde ze ook dat er niets viel te behalen met alleen maar verlangen, en adviseerde studenten dat ze de taken van vandaag op zich moesten nemen. Deze werkethos is denk ik erg in lijn met de wederopstanding van psychedelisch onderzoek, dat heeft gebroken met Leary’s contraculturele principes, gevat in zijn slogan “turn on, tune in, and drop out”. Mijn oproep tot zorgvuldigheid is bedoeld als een tegenwicht tegen de excessen van het mysticisme.

Overgave is daarentegen een deugd die deel uitmaakt van een mystiek perspectief. In plaats van de wereld vanuit een hoogmodernistische geest te transformeren, accepteer je dat dit is wat de wereld is. Het is een anti-activistische mentaliteit. Overgave is belangrijk met betrekking tot psychedelica, want als je met deze middelen in een moeilijke ervaring zit, is de enige uitweg niet om ermee te worstelen maar om je over te geven – om jezelf op te geven en toe te staan dat de ervaring het overneemt, en zodra je ontspant kom je eigenlijk de vervelende situatie wel weer uit. Ik zeg absoluut niet dat we niet moeten proberen om van de wereld een betere plek te maken, maar ik denk wel dat acceptatie soms wijzer zou zijn.

Vriendschappen ontwikkelen in dit veld is vriendschappen ontwikkelen met een soms best hoge inzet, met betrekking tot hoe psychedelica en psychedelicagebruik worden begrepen en gezien. En in grote mate komt dat doordat mensen hopen dat het gelegaliseerd wordt – of dat nu is middels medicalisering of door een bredere verkrijgbaarheid. In de farmacologie en in de bredere wetenschap heeft het onderzoek vaak een soort ‘verboden terrein’-grenzenstellerij inzake waarover wel en niet publiekelijk gepraat zou mogen worden wat betreft persoonlijke ervaringen. Hoe bent u hiermee omgegaan?

Aan dit onderzoek zit altijd een politiek aspect. Echter, de labs van Vollenweider en Geyer waren geen van beide heel erg gepolitiseerd. De mensen waren meer gedreven door nieuwsgierigheid dan door activisme. Dat hadden we gemeen. Natuurlijk is het veld groter dan deze twee labs. Andere mensen zijn veel gepassioneerder en meer uitgesproken over hun politieke doelen. Maar ik zie in de antropologie, waar activisme behoorlijk geaccepteerd is, dat dit intellectuele gesprekken kan smoren en kortwieken. Daarom was ik erg blij dat ik met mensen kon werken die niet zo’n sterk belang hadden.

Persoonlijke ervaringen waren nog steeds een beetje een gevoelig onderwerp, maar geen verboden terrein. Zo hield ik bijvoorbeeld een interview met Hans Jakob Dietschy, de overheidsambtenaar die in de jaren ’90 verantwoordelijk was voor verboden middelen, en zijn wetenschappelijke collega, de farmacologieprofessor Rudolph Brenneisen. Op een gegeven moment vertelden ze me over een ruzie die ze hadden gehad over Brenneisens beslissing om als proefpersoon mee te doen in het psilocybine-experiment van zijn doctoraalstudent. Deze anekdote werd vrijwillig verteld, zij het off the record. Omdat het zeer goed paste in mijn discussie over de delegitimering van zelfexperimenten, gebruikte ik het alsnog en zond ik ze de hele sectie van mijn proefschrift, om ze te vragen of ze me wilden toestaan het voorval te gebruiken in zijn bredere historische context. Daar had geen van beiden ook maar enig probleem mee.

Natuurlijk zijn er ook dingen die niet publiek gemaakt kunnen worden. Maar dat probleem geldt niet specifiek voor onderzoek over verboden middelen. Etnografen treden als buitenstaanders gemeenschappen binnen, creëren een vertrouwensband met hun leden, en schrijven dan over deze mensen. Als je langere tijd doorbrengt met wat voor groep mensen dan ook, dan krijg je altijd dingen te horen die geheim horen te blijven. Institutionele beoordelingsraden zijn niet goed uitgerust om de onderzoekssubjecten van de antropoloog te beschermen tegen het breken van dergelijke geheimhoudingen. Dit blijft grotendeels een kwestie van de ethiek van de etnograaf. Als ik niet zeker weet of ik iets mag zeggen, dan vraag ik de mensen meestal of het goed is of ik laat ze zien wat ik geschreven heb. Ik ben vaak verbaasd geweest dat mensen totaal geen problemen hadden met iets dat mij een pittige kwestie leek, terwijl ze anderzijds heel gevoelig konden reageren op iets dat ik zelf vrij onschuldig vond, als ze bijvoorbeeld vonden dat ik teveel invulling had gegeven aan de bevindingen in hun meest recente publicatie.

In de geschiedenis van de wetenschap heeft de experimentalist altijd meer autoriteit genoten dan de veldonderzoeker. Hoe ziet u de autoriteit van de antropoloog in de psychedelische wetenschappen?

De autoriteit van de antropoloog is gebaseerd op ervaring. En op de tijd die het vergt om veldwerk te doen op lange termijn, om persoonlijke relaties te cultiveren. Maar ik denk niet dat dergelijke etnografische autoriteit zich doorzet in klinisch en farmacologisch onderzoek, als je dat bedoelt met psychedelische wetenschappen. Ik ben aan het proberen om psychofarmacologen zover te krijgen dat ze serieuzer gaan nadenken over het ondersteunen van placebo-gecontroleerde onderzoeken door cultuur-gecontroleerde onderzoeken, of andere methodologieën die rekening houden met set en setting. Maar het is bijna onmogelijk om een veld van buitenaf te veranderen en uiteindelijk is het zo dat antropologen die niet inburgeren, buitenstaanders blijven.

Ziet u conflicten tussen de projecten van antropologen en wetenschappers in dit veld?

Mijn project is anders maar niet tegenstrijdig ten opzichte van de projecten van de wetenschappers waar ik mee gewerkt heb. Als je kijkt naar wat zij publiceren en wat ik publiceer, dan lijkt het niet op elkaar, maar het is niet onverenigbaar. We delen zelfs veel vragen. Dat zijn niet per se de vragen die psychofarmacologen met hun onderzoek beantwoorden, maar het zijn de vragen waar psychedelische onderzoekers tijdens de lunch en na het werk over discussiëren.

Deze samenloop van interesse heeft te maken met het feit dat mijn antropologische werk niet voornamelijk etnografisch is. Ik was geïnteresseerd in de psychedelische ervaring, in wat deze middelen doen met mensen en wat mensen doen met deze middelen. Schrijven over mensen – dat is de betekenis van etnografie – was een noodzakelijk deel van het behandelen van deze vragen. Omdat het mensen zijn die deze ideeën hebben, en het mensen zijn die deze middelen op bepaalde manieren gebruiken. Maar mijn uiteindelijke doel is meer filosofisch van aard. Ik probeer te begrijpen wat psychedelische ervaringen zijn voor mensen, hoe het komt dat we ze beleven, en waarom we ze waarderen.

[/fusion_builder_column][/fusion_builder_row][/fusion_builder_container]

[Interview] Jordi Riba blikt terug op meer dan vijftien jaar ayahuasca-onderzoek

riba scan cut cropped

Het onderzoek van Jordi Riba, een Spaanse farmacoloog werkzaam in het Sant Pau ziekenhuis in Barcelona, draait voornamelijk om ayahuasca. Zijn achtergrond ligt in botanie, scheikunde, farmacologie en neurowetenschappen. In een interview met Stichting OPEN vat hij de voornaamste bevindingen samen van zijn werk met het psychedelische Amazonebrouwsel. In het tweede deel weerlegt hij een deel van de kritiek op een recent stuk over cannabis, waarvan hij coauteur was. Jordi Riba zal bovendien een van de sprekers zijn op onze ICPR 2016-conferentie over onderzoek naar psychedelica.

Hoe bent u in het psychedelische werkveld terecht gekomen?

Ik was altijd al geïnteresseerd in de biochemie van de hersenen, dus stoffen die op het centrale zenuwstelsel inwerkten vond ik boeiend. Ik deed veel onderzoek naar alkaloïden, toen ik op een dag tijdens mijn universitaire studies Gordon Wassons ervaringen met psilocybine-paddenstoelen tegenkwam. Ik was er behoorlijk van onder de indruk dat er zulke alkaloïden konden bestaan die zo’n enorm effect op de menselijke geest hadden. Ik vond het ook erg interessant vanwege de filosofische vragen die het opriep, aangezien dit zich op het grensvlak tussen religie en wetenschap bevond. Er waren hier toentertijd – dit was jaren ’80 / vroege jaren ’90 – echter bijna geen onderzoeken naar. Een paar jaar later leerde ik Josep Maria Fericgla kennen, een antropoloog die in de Amazone onderzoek deed naar het rituele gebruik van ayahuasca door de Shuar-stam. Hij stelde voor dat ik Jonathan Otts boek Pharmacotheon zou vertalen naar het Spaans, dus dat gaf me een hoop informatie over dit veld. Hij introduceerde me ook bij een aantal ayahuasca-gebruikende groepen in Spanje en ik besloot uiteindelijk mijn doctoraalthese te schrijven over ayahuasca-onderzoek.

Waarom koos u, boven alle andere psychedelica, voor ayahuasca?

Voor mij was het belangrijk dat het een cultureel gebruik kende, dat het meer was dan een recreatieve substantie. Het feit dat er een religie kon bestaan rondom het gebruik van een psychoactieve plant, en dat hele culturen waren geëvolueerd rondom het eeuwenlange gebruik van deze planten, maakte het voor mij extra interessant. En toen ik mensen leerde kennen die aan deze rituelen meededen, was ik erg onder de indruk van de verhalen die ze me vertelden over de effecten die ze ervoeren: inzichten in persoonlijke levenszaken, autobiografische herinneringen, intense emoties… Zoiets had ik nog nooit gehoord.

Wat is de wettelijke status van ayahuasca in Spanje, en hoe makkelijk was het voor u om het onderzoek op te zetten, wettelijk gezien?

Er is natuurlijk de internationale lijst met verboden psychotrope middelen, maar de autoriteiten laten altijd de deur op een kier voor legitiem onderzoek. Ik leerde toevallig ook Manel Barbanoj kennen, die mijn thesebegeleider werd. Hij was farmacoloog in het Sant Pau ziekenhuis in Barcelona, waar ik nu nog steeds werk. Hij had een heel goede reputatie, doordat hij een heleboel klinische onderzoeken met zowel gezonde mensen als patiënten had uitgevoerd. Hij was ook erg gepassioneerd over centraal werkende geneesmiddelen. Dus toen ik zei: er bestaat een middel, ayahuasca, met een heel interessante interactie van alkaloïden, mensen gebruiken het in rituelen en dit zijn de effecten die ze rapporteren, zei hij: oké, ik doe mee, laten we hieraan gaan werken. Dus we schreven een protocol en stuurden het naar de interne beoordelingscommissie. Het hoofd van die commissie vertelde me jaren later dat ze in eerste instantie geschokt waren toen ze dit voorstel onder ogen kregen, maar dat ze besloten het toe te staan omdat mijn begeleider zo’n goede reputatie had. Daarna moesten we het voorstel indienen bij het Spaanse ministerie van volksgezondheid, en die keurde het ook goed. Dus we hebben op dit soort onderzoek nog nooit tegengas gekregen vanuit de gevestigde medische orde of van regelgevende instanties.

Denkt u dat het makkelijk voor u zou zijn geweest om onderzoek te doen met psilocybine of LSD?

LSD heeft echt wel een slechte naam. Misschien zou ik met psilocybine nog wel een onderzoek hebben kunnen starten, maar LSD zou zeker moeilijker zijn geweest. Een andere moeilijkheid die we destijds hadden was dat we niet zouden hebben geweten waar we psilocybine konden verkrijgen, terwijl ik wel wist hoe ik aan ayahuasca kon komen. Dat is ook een reden waarom ik voor ayahuasca ging, ondanks het feit dat het een erg complexe mix van substanties is.

Ja, ‘ayahuasca’ is zo’n vaag iets. Er moeten twee bepaalde planten in zitten, maar als je naar de Amazone gaat, dan heeft iedereen die ayahuasca bereidt zijn eigen recept. Dus hoe standaardiseer je zoiets?

Er zijn natuurlijk in elke traditie andere planten die aan het brouwsel toegevoegd worden, maar we besloten ons te focussen op wat populair was geworden in de stedelijke gebieden van Zuid-Amerika, en wat ook was overgewaaid naar Europa en Noord-Amerika. Dit was grofweg de combinatie van Banisteriopsis caapi en Psychotria viridis, zoals de ayahuascakerken deze gebruikten. Aan het begin van ons onderzoek hadden we een discussie over de vraag of we synthetische stoffen zouden moeten gebruiken: gewoon DMT, of een combinatie van synthetische DMT met synthetische harmine. Maar we wilden eigenlijk een algemeen beeld krijgen van de effecten van ayahuasca als geheel in de menselijke fysiologie, omdat dit was wat de mensen gebruikten in de ayahuascarituelen, tenminste, in de rituelen die Europa bereikten. Dus we besloten om voor ayahuasca te gaan, en we besloten het te vriesdrogen. Dit haalt eigenlijk alleen het water weg, terwijl alle andere stoffen overblijven. Het kostte ons drie jaar om de gevriesdroogde ayahuasca in capsulevorm klaar te maken voor onze eerste proef. Misschien hadden we sneller vooruitgang kunnen boeken als we pure stoffen hadden gebruikt, maar dan zouden we de kritiek hebben gekregen dat wat we bestudeerden geen ayahuasca was.

Bovendien losten de capsules ook het probleem van de placebotoediening op, want placebocapsules toedienen is makkelijk, terwijl het heel moeilijk zou zijn om een brouwsel te maken dat op ayahuasca lijkt maar in feite een inactieve placebo is.

riba capsule croppedEen aantal onderzoekers hebben met verschillende maten van succes geprobeerd een nepbrouwsel te maken. Volgens mij heeft Rafael Guimarães dos Santos, een voormalige doctorandus van mij, een placebobrouwsel gemaakt dat hij gebruikte in een van zijn onderzoeken. Maar wij wilden uiteraard dat onze resultaten acceptabel zouden zijn voor mainstream farmacologische tijdschriften, en we wisten dat we ayahuasca moesten vergelijken met een inactieve placebo, en ook dat we de effecten van verwachtingen van onderzoekers en deelnemers moesten neutraliseren. Daarom getroostte ik me al die moeite om hiervoor te zorgen. Later zeiden sommigen dat je na het nemen van ayahuasca na een tijdje door hebt dat er iets met je aan de hand is en dat er dan geen sprake meer is van een placebo-effect…

Dat is het klassieke placeboprobleem met psychedelica.                

Klopt, en dat is ook terechte kritiek, maar dit probleem is misschien groter bij het vergelijken van een hoge dosis ayahuasca met een pure placebo. In meerdere van onze onderzoeken dienden we ayahuascadoses toe van wisselende sterktes en sommige vrijwilligers beweerden dat ze visioenen hadden op placebo, terwijl andere mensen geen effect rapporteerden bij een lage dosis ayahuasca.

Een ander aspect dat we wilden bekijken was het feit dat ayahuascagebruikers vaak zeggen dat ze de ene keer een klein beetje nemen en gigantische effecten hebben, terwijl ze een andere keer heel veel nemen en bijna niets merken. Toen we de ayahuasca eenmaal in deze gevriesdroogde vorm gestandaardiseerd hadden, ontdekten we een heel mooie dosis-effect relatie op het vlak van intensiteit, wanneer je de resultaten als geheel bekijkt, voor groepen. Dus er is hier niets ‘abnormaals’, niets dat ik niet zou verwachten.

Oké, dat is dus een gemiddelde meting, van groepen deelnemers. Maar zijn er ook individuele verschillen? Ayahuasca lijkt veel minder lineair te zijn dan bijvoorbeeld LSD of psilocybine: de opkom-tijd, de dosis-effect verhouding, duur van de effecten… Dit is iets wat uw bevindingen niet lijken te bevestigen.

Vloeibare ayahuasca kan zo enorm variëren. De hoeveelheid alkaloïden kan tussen twee batches aanzienlijk afwijken. Je zou kunnen denken dat je dezelfde soort ayahuasca hebt gedronken terwijl de concentraties in feite behoorlijk verschilden.

Soms drinken twee mensen van dezelfde fles, en de ene voelt dan niks terwijl de andere compleet voor Pampus ligt.

Natuurlijk kunnen er verschillen zijn tussen deelnemers. Maar als je dezelfde persoon neemt, en je geeft hem zorgvuldig gecontroleerde doses, dan zul je een toename aan effect zien bij verhoging van de dosis. In het algemeen zagen we het normale gedrag van door farmaceutica veroorzaakte effecten, daar was niets magisch aan. De magie bevond zich daarentegen in de inhoud van de visioenen, in de toegang tot autobiografische herinneringen, de inzichten en openbaringen; dat was allemaal echt heel magisch.

Dan is er nog het probleem van het overgeven. Hebben jullie emmers staan in het lab, of hoe ging dat?

Ik weet dat dit reinigen (‘purging’, red.) in de sjamanistische tradities centraal staat, maar in de meeste van onze onderzoeken was het juist van belang dat de deelnemers niet overgaven. Het was van belang dat ze niet een deel van de ingenomen stoffen uitbraakten, omdat we van plan waren hun bloed- en plasmawaarden nog te meten op alkaloïdeniveaus. Wat dit betreft denk ik dat onze formule echt goed werkte, want de mensen werden niet direct misselijk; ze proefden en roken de ayahuasca niet. Misselijkheid was vanaf een bepaald punt wel gebruikelijk, maar slechts zeer weinig deelnemers moesten in het lab ook echt overgeven bij het gebruik van onze formule.

Introduceert dit niet een aantal verschillen tussen het lab en de werkelijke omstandigheden?

Ja, natuurlijk. Als je meetwaarden wilt genereren, dan moet je standaardiseren. Dus het zal bij labgebruik altijd anders zijn dan wanneer je het thuis neemt, alleen of met vrienden, of in de Amazone met iemand die je vertrouwt, of bijvoorbeeld juist wantrouwt. In het lab proberen we altijd dezelfde omstandigheden te creëren, maar we proberen het ook voor de deelnemers zo comfortabel mogelijk te maken. Meestal is de ervaring zo introspectief, dat de deelnemer zijn omgeving helemaal vergeet. Als ze de placebo krijgen vinden ze het meestal moeilijker om aan alle procedures mee te werken dan als ze de actieve ayahuasca dosis krijgen, want bij de ayahuasca richten ze hun focus op de innerlijke ervaring, en kunnen ze hun omgevingssituatie helemaal uit het oog verliezen.

riba session cropped

Waar schrijft u het bijna geheel uitblijven van overgeven aan toe? Ik had ergens gelezen dat het overgeven te maken had met een soort serotonergisch proces in het spijsverteringssysteem, en niet alleen met de vieze smaak of de hoeveelheid drank. Dus hoe zou u dit uitblijven vanuit een farmacologisch perspectief verklaren?

Overgeven is een heel complex mechanisme. Je hebt te maken met informatie die van veel verschillende bronnen terugvoert naar het centrum in de hersenen dat over het braken gaat. Het zien kan een bron zijn: je kunt iets onaangenaams zien en dan de neiging krijgen om over te geven. Reuk en tastzin spelen ook een rol. Of irritatie van de maag en het maag-darmkanaal, alsook de activering van de nervus vagus, wat gebeurt als je serotonergische neurotransmissie stimuleert. Maar er zijn nog veel meer neurochemische mechanismen die hier een rol spelen. De misselijkheid is niet zo intens als wanneer je de vloeibare ayahuasca neemt, misschien omdat de stimulatie dan in plaats van uit vijf verschillende kanalen, maar vanuit één kanaal komt, en dit is meestal niet voldoende om de braakreactie te activeren. Dat is mijn educated guess van wat er zich daar allemaal afspeelt.

Kunt u de voornaamste bevindingen van al deze jaren aan onderzoek voor ons samenvatten?

Het doel dat we in eerste instantie voor ogen hadden, was om te kijken of we ayahuasca veilig konden toedienen, en dit hebben we kunnen aantonen. Dit is van belang, want zo nu en dan lees je in de kranten weer een bericht over iemand die agressief wordt tijdens een ayahuascasessie in de Amazone, of zelfs sterft. We weten niet hoe dat kan, maar wat we wel weten is dat wanneer je bij het selecteren van deelnemers en bij het doseren heel nauwkeurig bent, en je een veilige en beheerste omgeving creëert, dat het dan in een lab gedaan kan worden waarbij mensen goede ervaringen hebben.

Heeft u nooit negatieve bijwerkingen geconstateerd?

Tijdens onze eerste pilot studie hadden we een deelnemer die een tijdelijke staat van desoriëntatie beleefde, die hem angstig maakte. Dat was nogal ongemakkelijk voor hem, hij wist even niet meer wie hij was. Maar het duurde maar 20 minuten, daarna was het weer over. Deze persoon besloot hierop het onderzoek te verlaten. Dat was denk ik de ernstigste bijwerking die ik ooit in deze beheerste omstandigheden heb gezien.

We hebben uit al deze onderzoeken veel gegevens kunnen verzamelen: we hebben geleerd wat er met de ayahuasca-alkaloïden gebeurt als ze worden ingenomen. Er was bijvoorbeeld de vrees dat harmine, een monoamine-oxydaseremmer (Engelse afkorting MAOI) die in het brouwsel zit, zou reageren met bepaalde etenswaren of met andere medicijnen, en daarbij zou resulteren in hypertensieve reacties. We ontdekten echter dat harmine zeer vlug uit het organisme verdwijnt. Dus ook vanuit dit oogpunt is ayahuasca heel veilig, de fysiologische effecten kunnen door een gezonde persoon makkelijk worden verdragen. We zien geen dramatische stijgingen in bloeddruk of hartslag.

Over harmine gesproken, blijkt dat niet veel veiliger te zijn dan veel mensen denken? Veel mensen gaan een aantal dagen voor een ayahuascaceremonie op dieet, waarbij ze bepaalde etenswaren waar veel tyramine in zit vermijden, om een hypertensieve crisis te voorkomen. Maar uw onderzoekingen bevestigen dit risico niet.

Tot onze verbazing konden we bij veel deelnemers zelfs geen harmine vinden, dus was het – door de werking van darm- en leverenzymen – niet door de barrière tussen het maag-darmkanaal en de bloedcirculatie gegaan. Er zouden hier ook individuele verschillen kunnen zijn. De een zou harmine misschien beter kunnen afbreken dan de ander, dus mensen moeten altijd blijven uitkijken met het combineren van harmine met bepaalde andere geneesmiddelen. Maar ik moet erbij zeggen dat ik heel veel ayahuascarituelen heb meegemaakt waarbij mensen, nadat ze twee of drie doses ayahuasca hadden genomen, daarna gewoon kaas en ham en ander eten aten, dat je ze in principe niet zou aanbevelen. Het is niet makkelijk om een toxisch effect te krijgen van een enkele ayahuascadosis als je in goede gezondheid verkeert en verder geen andere medicatie gebruikt.

riba electrodes croppedHiernaast was ik erg geïnteresseerd in de hersenmechanismen waarop ayahuasca inspeelt. Om dit te onderzoeken hebben we verschillende technieken gebruikt. Eerst bestudeerden we de spontane elektrische activiteit van de hersenen voor en na de toediening van ayahuasca. Dit was interessant, want wat we hier zien is dat ayahuasca het alfaritme, dat een heel belangrijk EEG-ritme is dat je ziet in de achterste hersengebieden, doet afnemen – en dit ritme werkt onderdrukkend. Dus wanneer ayahuasca dit ritme doet afnemen, versterkt het de spontane activiteit van de achterste, visuele regionen. Dit zou al die droomachtige visioenen kunnen verklaren die mensen hebben. En door middel van functionele connectiviteitsanalyse tussen EEG-signalen die werden opgenomen op verschillende plekken, hebben we ook vastgesteld dat ayahuasca de ‘top-downcontrole’ van informatieverwerking doet afnemen. Meestal wordt informatie – of het nu interne informatie uit herinneringen is of externe, zintuiglijke informatie – geïnterpreteerd op basis van eerdere ervaringen met die informatie. Ayahuasca vermindert de verwachtingen die je hebt en je ervaart bijvoorbeeld opgeslagen herinneringen op een andere manier. Dus het helpt je om wat afstand te nemen, of een nieuw perspectief in te nemen op dingen die je in principe al weet, of al hebt ervaren. Ik vind dit behoorlijk waardevol, en dit is misschien wat ayahuasca zijn therapeutisch potentieel geeft.

We hebben ook neuroimaging onderzoek gedaan. We hebben een SPECT-onderzoek gedaan waarin we aantoonden dat ayahuasca de activiteit in gebieden die emotie en herinneringen verwerken doet toenemen. Het verhoogt ook de activiteit in gebieden op het grensvlak tussen emotie en cognitie. Dit ondersteunt ook de bewering van ayahuascagebruikers die zeggen dat de ervaring allerminst recreatief is, dat pijnlijke herinneringen naar boven kunnen komen, en dat ze zeer intense emotionele processen kunnen herbeleven.

In lijn met deze mogelijkheid om jezelf los te kunnen maken van je eigen gedachten en gevoelens, om emoties en herinneringen te observeren, hebben we recentelijk onderzoeken gedaan waarin we ‘mindfulnessfacetten’ en creativiteit na ayahuasca-inname hebben bekeken. Er zijn een aantal psychotherapeutische scholen die mensen proberen te leren om in het nu te leven, non-reactief te zijn, hun gedachten te accepteren en niet te veroordelen, en zich er niet mee te identificeren. In een recent onderzoek hebben we gezien dat in de uren na een ayahuascasessie, deze mindfulnessvaardigheden waren toegenomen. Het versterken van deze vaardigheden is het doel van mindfulnesstherapieën, en het kan heel lang duren voordat ze door middel van klassiekere benaderingen, zoals meditatie, worden bereikt. In ons onderzoek waren de scores van deelnemers na een enkele dosis ayahuasca even hoog als die van ervaren mediteerders met jaren training. We hebben ook de creativiteit onderzocht tijdens ayahuascasessies [fusion_builder_container hundred_percent=”yes” overflow=”visible”][fusion_builder_row][fusion_builder_column type=”1_1″ background_position=”left top” background_color=”” border_size=”” border_color=”” border_style=”solid” spacing=”yes” background_image=”” background_repeat=”no-repeat” padding=”” margin_top=”0px” margin_bottom=”0px” class=”” id=”” animation_type=”” animation_speed=”0.3″ animation_direction=”left” hide_on_mobile=”no” center_content=”no” min_height=”none”][paper onder review voor publicatie in Psychopharmacology, red.], en we hebben gezien dat ayahuasca het conventionele denken doet afnemen en creatief, ‘afwijkend’ denken versterkt, mensen vinden een nieuwe kijk op zaken.

Al deze effecten die we hebben kunnen meten tijdens deze experimenten zouden kunnen verklaren waarom ayahuasca veelbelovend is bij het behandelen van een aantal medische aandoeningen. Ik heb het ook voor elkaar gekregen om nu een aantal psychiaters in mijn eigen instelling in ayahuasca geïnteresseerd te krijgen, en een aantal initiële therapeutische onderzoeken zijn reeds uitgevoerd. Ik heb meegewerkt aan onderzoeken in Brazilië, waarin we hebben aangetoond dat ayahuasca heel snelwerkende antidepressieve effecten kan sorteren, die al bij een enkele dosis zichtbaar zijn en drie weken kunnen aanhouden. Klassieke antidepressiva hebben drie weken nodig voordat ze een zichtbaar en positief effect op de patiënten hebben. Het doet me goed om te zien dat ayahuasca positief kan worden ingezet.

Nu kijk ik samen met mijn collega’s van de psychiatrische afdeling naar de mogelijkheid of ayahuasca ook kan worden ingezet om andere aandoeningen te behandelen. Een aantal goed opgezette onderzoeken bij mensen met drugsverslaving, mensen met posttraumatisch stresssyndroom,… Hier kijk ik nu naar uit, om nieuwe gegevens te vergaren over nieuwe mogelijke toepassingen. Maar ik denk dat het essentieel was om eerst deze veiligheidsgegevens te verkrijgen, en om de biologische basis vast te stellen voor de heilzame effecten die mensen melden. Als je alleen maar met die fleurige verhalen komt aanzetten waar mensen soms mee komen, dan zouden mijn collega’s wellicht niet zo gemakkelijk overtuigd zijn.

U hebt de acute effecten van ayahuasca bekeken door middel van hersenbeeldtechnieken. Aan het Imperial College in Londen hebben ze hetzelfde gedaan met psilocybine. Hebt u enige correlatie gevonden tussen de effecten van beide substanties? Ze hebben bijvoorbeeld bepaald dat psilocybine het functioneren van het default mode network (DMN) tegengaat. Zijn dit conclusies die u kunt bevestigen?

Het onderzoek dat Robin Carhart-Harris uitvoerde maakte gebruik van MRI, en het onderzoek dat ik met ayahuasca deed gebruikte een nucleaire medische techniek die SPECT heet. Afhankelijk van de techniek die je gebruikt krijg je toegang tot slechts een deel van het gehele plaatje. Dus ik denk dat het goed is dat er onderzoek wordt gedaan met andere technieken, en het helpt ons ook als we al deze informatie combineren om een beeld te krijgen van wat er gaande is.

Je had het over het DMN, we hebben een onderzoek gedaan naar veranderingen in de hersenstructuur bij langdurige ayahuascagebruikers, en we zagen een afname in corticale dikte in de cortex cingularis posterior, een sleutelgebied van het DMN. Dus dat zou kloppen met de resultaten die ik met de EEG had verkregen, met de resultaten van Draulio de Araujo in Brazilië, en met de resultaten die Robin had verkregen met MRI en ook met magneto-encefalografie.

Hebt u deze duurzame veranderingen in hersenstructuur kunnen correleren aan een verandering van persoonlijkheid?

Ja, we hebben een aantal persoonlijkheidsvragenlijsten afgenomen, en de langdurige ayahuascagebruikers scoorden hoger dan de controlegroep op de karaktertrek ‘zelftranscendentie’, wat te maken heeft met een spirituele, minder materialistische levenshouding. Hier was ook een interessante correlatie merkbaar: hoe groter de afnamen waren van corticale dikte, des te hoger scoorden ze op deze karaktertrek. Bij sommige psychiatrische stoornissen zie je dat er een onvermogen is om het DMN af te remmen, wat kan resulteren in gepieker en depressies. De langdurige ayahuascagebruikers hebben een afname in hersendikte in dit gebied, en het lijkt erop dat zij een gezondere kijk op het leven hebben. Ook al konden we hier geen causaliteit bevestigen, er blijkt toch een duidelijke correlatie die deels kan uitleggen waarom ayahuasca therapeutisch potentieel heeft.

Sant Pau hospital in Barcelona
Het Sant Pau ziekenhuis in Barcelona

Nog een andere interessante conclusie was dat ayahuascagebruikers een aantal basale taken beter leken uit te voeren op verschillende vlakken. Ze deden het beter dan de onervaren gebruikers, zowel nuchter als onder invloed, maar ze doen het ook beter onder invloed dan dat ze het nuchter doen.

We hebben een aantal onderzoeken gedaan in Brazilië en hier in Spanje, waar we leden van de ayahuascakerken onderzochten. We schotelden ze een aantal vragenlijsten voor, maar we deden ook neuropsychologisch onderzoek: hoe staat het met hun werkgeheugen en hoe ze presteren bij verschillende taken? Toen we hen deze neuropsychologische taken voorlegden, zagen we dat ayahuascagebruikers beter scoorden dan de controlegroep op een aantal van die taken. Dit kwam enigszins als een verrassing omdat psychoactieve stoffen meestal met bepaalde tekortkomingen worden geassocieerd, op z’n minst bij een aantal verslavende drugs. Het patroon dat we hier zagen bij ayahuasca heeft niks te maken met de traditionele patronen van verslavende drugs.

Zoals je zei hebben we ook mensen onderzocht voor en tijdens een ayahuascasessie. In dit experiment zagen we dat mensen in twee groepen konden worden verdeeld. Mensen die slechts een aantal keer ayahuasca hadden gebruikt – minder dan 30 keer, laten we zeggen – presteerden minder goed onder invloed. De ervaren gebruikers hadden niet alleen geen last van deze verminderde prestaties, maar ze presteerden zelfs beter. Hoe hebben we dit geïnterpreteerd? In ons onderzoek naar de hersenstructuur van langdurige ayahuascagebruikers vonden we een toename in corticale dikte in het frontale gedeelte van het brein, in een gebied wat een kernplek is van het ‘task-positive’ of ‘aandacht’ netwerk. Het lijkt erop dat dit mensen helpt om beter te presteren bij bepaalde neuropsychologische taken, omdat veel van deze taken afhankelijk zijn het correct functioneren van de prefrontale cortex.

U hebt het vaak over de ervaren personen die deelnemen aan je onderzoeken. Hebben deze personen verschillende achtergronden, zoals uit sjamanistische hoek, of komen ze enkel vanuit gevestigde ayahuascakerken?

In veel van de labonderzoeken waarbij we ayahuasca hebben toegediend, hadden de deelnemers geen enkele religieuze achtergrond. Ze waren ervaren met psychedelica, en slechts een aantal onder hen had al ervaring met ayahuasca. In het eerste pilotonderzoek hadden we zes vrijwilligers geworven die wel ervaren waren met ayahuasca. Toen we vervolgens zagen dat het toedienen veilig was, hebben we ook mensen aangetrokken die ervaring hadden met psilocybine, mescaline of soortgelijke stoffen. Bij de onderzoeken naar langdurige gebruikers kwamen de mensen wel vanuit de ayahuascareligies, voornamelijk vanuit de Santo Daime.

Denkt u dat dit op enige manier invloed heeft gehad op de resultaten? Lid zijn van een religie kan ook invloed hebben op persoonlijkheid en wie weet? misschien zelfs op hersenstructuur…

Ja, dat is een storende factor, en we waren bezorgd dat de heilzame effecten die we zagen bij de deelnemers het resultaat konden zijn van de gecombineerde effecten van het lidmaatschap van een ondersteunende groep en de ayahuasca inname. Maar in ons laatste gepubliceerde paper over de mindfulness-facetten, was geen enkele van de proefpersonen geassocieerd met een ayahuascareligie, en ze waren geen onderdeel van een groep die op regelmatige basis bijeenkwam. Een belangrijke ontdekking hier is dat we dezelfde voordelen zien bij mensen die geen storende factor als religiositeit of lidmaatschap van een religieuze groep hadden. Dus ik denk dat ayahuasca op zichzelf een therapeutisch potentieel heeft.

* * *

Laten we het nu hebben over een ander soort onderzoek dat u hebt gedaan, een cannabisonderzoek. Een recent artikel waarvan u coauteur was, en dat aardig wat controversiële reacties opriep, heette: “Cannabis users show increased susceptibility to false memories” (“Cannabisgebruikers vertonen een verhoogde vatbaarheid voor valse herinneringen”). Ik schrok hier van het schijnbare gebrek aan voorzichtigheid, terwijl u normaal een erg voorzichtig persoon lijkt. In het artikel stelt u zelf dat de resultaten “subtiel” zijn, en toch lijkt de woordkeuze, “false memories”, vrij sterk, terwijl dit gaat over een lijst woorden, niet over beelden of persoonlijke herinneringen. Ook gaan sommige conclusies vrij ver, vermits u het hebt over mogelijke juridische implicaties in de rechtszaal. Denkt u niet dat dit tot een situatie kan leiden waar er aan de woorden van langdurige cannabisgebruikers systematisch wordt getwijfeld?

Laat ik beginnen met de term “false memory”. Het is een technische term die wordt gebruikt in psychologisch onderzoek en wordt geassocieerd met het Roediger-McDermott paradigma dat we gebruikten in het onderzoek. In deze context is false memory een soort illusie die vrij vaak voorkomt, iedereen heeft er in het dagelijks leven last van. Het geheugen is constant informatie opnieuw aan het verwerken. Het gebruik van deze term was geen strategie om de aandacht van de lezer te trekken, het is alleen hoe deze illusie wordt genoemd binnen de psychologie.

Als je dit fenomeen in het lab wil onderzoeken, moet je een standaardmethode kiezen. Een van de beste manieren om dit te doen, en die wordt gebruikt in onderzoeken in verschillende context, is het Roediger-McDermott paradigma, waarin je met woordenlijsten te werk gaat. We hadden wat ervaring met dit paradigma, dus we dachten dat we het konden aanpassen zodat het in een MRI-setting gebruikt kon worden. Voor zover ik weet was dit nog niet eerder gedaan, in ieder geval niet binnen de context van regelmatig cannabisgebruik. Dus we hebben het aangepast en we keken naar hersenactiviteit in twee verschillende groepen patiënten, en de methodologie die we gebruikten om deze populaties te vergelijken was dezelfde als bij de vergelijking tussen ayahuascagebruikers en de controlegroep. We interviewden meer dan 60 langdurige cannabisgebruikers, en we lieten sommigen van hen buiten het onderzoek vanwege verschillende redenen, waaronder medische: mensen die het uiteindelijk haalden tot in de scanner waren dus in goede gezondheid, en in een situatie waarin we dachten dat er geen storing in de resultaten zou zijn, ook al zouden ze ervaring hebben met andere stoffen of medicatie gebruiken vanwege andere afwijkingen.

We kwamen erachter dat ze verschillend presteerden. We onderzochten de gebruikers een maand nadat ze compleet waren gestopt met het gebruik van cannabis (zoals werd bevestigd door urinetests), niet tijdens de acute effecten van cannabis. Ze presteerden slechter dan de controlegroep op de geheugentests. Het verschil was niet groot, maar alsnog maakten ze ongeveer 50% meer fouten dan de controlegroep. Als je kijkt naar de patronen van de hersenactiviteit, kan je duidelijk zien dat er een netwerk is waarvan andere wetenschappers hebben bepaald dat het wordt gebruikt om de false memory stimuli af te wijzen die we aan het onderzoeken waren. Om te weten dat een bepaald woord niet aanwezig was op de aanvankelijke lijst, moet je prefrontale gebieden, pariëtale gebieden en gebieden in de mediale temporale kwab activeren, die samen werken als een netwerk. De controlegroep presteerde beter, er was een toename in activiteit te zien in al deze gebieden die nodig waren om de foute woorden af te wijzen, terwijl er bij cannabisgebruikers een hypoactivering was van dit netwerk. Daar kwam nog bij dat wanneer je kijkt naar het cannabisgebruik gedurende hun hele leven, en je dit correleert met de hersengebieden waar je deze hypoactiveringen ziet, je een duidelijke negatieve correlatie ziet met de mediale temporale cortex, een gebied dat cruciaal is voor het verwerken van geheugen. We zijn niet het eerste onderzoeksteam dat zulke verschillen heeft gevonden. Er zijn onderzoeken geweest naar de hippocampus waarin er een afname in hippocampaal volume is gevonden bij cannabisgebruikers.

Ik weet dat dit onderzoek veel controverse heeft veroorzaakt, maar ik denk dat de resultaten een goede interne consistentie vertonen vanwege deze drie feiten: de gedragsresultaten, de verschillen in hersenactiveringen, en deze correlatie. Ik heb een aantal erg negatieve reacties gehad op dit onderzoek en helaas waren er een aantal behoorlijk hysterisch, en niet erg rationeel. Maar ik denk dat een van de kritische opmerkingen erg legitiem was, namelijk het feit dat de cannabisgebruikers gedurende hun leven ook aan andere stoffen waren blootgesteld. Dat is mogelijk, maar niet in een mate die ook maar enigszins vergelijkbaar was met hun dagelijkse cannabisgebruik gedurende 20 jaar. Om te proberen aan deze bezorgdheid tegemoet te komen, voerden we nog een laboratoriumonderzoek uit waarbij we gezonde vrijwilligers, mensen zonder cannabiservaring, dit keer een lage dosis van de actieve stof, THC, toedienden. We konden bewijzen dat de toediening van 7,5 mg THC dit false memory effect teweeg kon brengen. Dus deze gebreken zijn aanwezig bij langdurige gebruikers na een maand te zijn gestopt met gebruik, en hetzelfde false memory effect was te vinden bij gezonde gebruikers na acute toediening. In een misdaadserie zou men dit een ‘smoking gun’ noemen.

Cannabidiol.svg
De moleculaire structuur van cannabidiol (CBD)

Maar het publiceren van deze resultaten betekent niet dat ik denk dat cannabis geen therapeutisch potentieel heeft. En het goede nieuws van dit tweede cannabisonderzoek is dat we ook gekeken hebben naar CBD, een andere stof die ook aanwezig is in de cannabisplant. CBD blokte het effect van THC op deze geheugenprocessen volledig af toen het samen met THC werd toegediend. En CBD kon op zichzelf zelfs de prestaties voor deze neuropsychologische taken verbeteren. Dus ik denk dat de cannabisplant potentieel heeft voor therapeutisch gebruik, en ik denk dat CBD in dit geval een goede kandidaat is. Maar ik denk dat we moeten nadenken over de trend van de laatste 20 jaar, waarbij soorten met steeds hogere THC-gehaltes en steeds lagere CBD-gehaltes worden geselecteerd, wetende dat ze elkaar in balans houden. Ik ben niet tegen persoonlijke keuze als het om drugs gaat, maar als er besloten wordt om dit beschikbaar te stellen voor iedereen boven de 18, meen ik dat mensen moeten worden geïnformeerd over de verschillen in effect van THC en CBD. Er zijn veel andere onderzoeken die laten zien dat acute cannabistoediening geheugenproblemen veroorzaakt, dat is niks nieuws. De reden dat deze paper zoveel bekijks kreeg en werd gepubliceerd in een invloedrijk tijdschrift is dat dit specifieke false memory fenomeen nooit eerder in deze groep gebruikers was onderzocht.

Betreffende ayahuasca is er de steeds terugkerende kritiek dat ik ayahuasca niet bestudeer in haar ecologische setting, dat mijn onderzoeken wellicht geen ecologische validiteit hebben. Hier zou men kunnen stellen dat mijn onderzoek naar cannabisgebruikers geen ecologische validiteit heeft omdat regelmatige cannabisgebruikers het dagelijks gebruiken, en dit onderzoek het effect bekeek na een maand onthouding. Dus misschien had ik gebruikers moeten aantrekken die stoned waren. We zouden hebben gezien dat ze zelfs meer aangetast waren, gezien we deze effecten teweeg kunnen brengen in het lab bij niet-chronische gebruikers met 7,5 milligram THC. Dus: zou een persoon die dagelijks cannabis gebruikt van een soort met hoge hoeveelheden THC een goede getuige zijn tijdens een rechtszaak? Mijn beredeneerde gok is dat dit waarschijnlijk niet het geval zou zijn.

Maar was het nodig dat u deze implicatie in het artikel noemde?

Je moet duidelijk maken waarom je de aandacht wil vestigen op dit fenomeen. Je moet deze dingen in context plaatsen, je moet uitleggen in welke situatie dit relevant zou kunnen zijn. Daarbij vroegen recensenten of we onze bevindingen binnen een context konden plaatsen.

Ik denk ook dat wat mensen stoort als u over mogelijke juridische implicaties schrijft, is dat ze een lijn trekken naar potentiële toekomstige discriminatie van chronische cannabisgebruikers, in de rechtszaal, op zoek naar werk, of wat dan ook, wat af en toe al voorkomt.

Het was echt niet de bedoeling om wie dan ook te discrimineren. Als iemand denkt dat dit onze intentie was, bied ik mijn excuses aan. Ik ben bezorgd over de gebruikers, en ik denk dat ze zouden moeten worden geïnformeerd, ze zouden moeten weten dat ze met deze problemen te maken kunnen krijgen.

Ik denk dat het probleem met mensen die voor legalisering of decriminalisering zijn is dat ze al het slechte nieuws als een aanval interpreteren. Rafael Guimarães, mijn voormalige PhD-student, schreef een artikel over een case-studie van iemand die een psychotische aanval had gekregen vanwege ayahuasca, en hij kreeg veel kritiek. Een aantal mensen uit de onderzoeksgemeenschap rond ayahuasca vertelde hem dat dit een oorlog was, en je je tegenstanders dus geen zwaktes moest laten zien. Maar dit is geen oorlog, we proberen wetenschappelijk te zijn. Als we aan de maatschappij vragen om deze stoffen voor legitieme doeleinden te mogen gebruiken, zouden we ons bewust moeten zijn van hun voordelen, maar ook van de risico’s. Niemand heeft er iets aan als ze onder het tapijt worden geveegd.

Dit gaf sommige mensen ook de indruk dat het makkelijker is om overheidsgeld en een publicatie in gerenommeerde tijdschriften te krijgen als je onderzoek doet naar de gevaren van cannabis, in plaats van naar de voordelen. Mensen zeggen dat er een onbalans is tussen onderzoeken die de voordelen bekijken en onderzoeken die de gevaren bekijken van cannabis. Bent u het hiermee eens?

Ik heb overheidsgeld gekregen om ayahuasca, salvinorine A en cannabis te onderzoeken. Het ontvangen van overheidsgeld heeft op geen enkele manier invloed gehad op hoe ik mijn bevindingen interpreteerde. Ik heb nooit gevreesd dat ik, afhankelijk van wat ik publiceerde, mijn financiering zou mislopen. In de beoordelingsraden zitten onder andere wetenschappers, die de wetenschappelijke verdienste van een onderzoek bekijken en die meestal gedreven zijn door nieuwsgierigheid. Het is niet de overheid die me deze financieringen toekent, maar een panel van wetenschappers. Dus er is geen enkele druk vanuit die hoek. Ik denk dat ik kan bewijzen dat ik in het verleden zowel positieve als negatieve dingen heb gezegd, en we zouden geen enkele vorm van zelfcensuur moeten hanteren of aanmoedigen.

Bovendien denk ik niet dat het makkelijker is om negatieve resultaten gepubliceerd te krijgen dan positieve. Kijk bijvoorbeeld naar ketamine, wat was gedemoniseerd door de media. Een aantal jaren terug werd er gezegd dat het alleen werd gebruikt door dierenartsen als verdovingsmiddel voor paarden, en door gekke jongeren op raves en in clubs. Toen kwamen psychiaters er achter dat ketamine erg sterke antidepressieve effecten had, en dat het erg snel werkte. Dit hoefde niet te worden gepubliceerd in ondergrondse tijdschriften die gratis drugs voor clubbers voorstaan, alleen maar omdat het om ketamine ging. Het werd gepubliceerd in Archives of General Psychiatry, en in vele andere toptijdschriften. Hetzelfde geldt voor psilocybine. Het onderzoek van Charles Grob bij kankerpatiënten, wat een pilot study was met een kleine sample en misschien niet optimaal was ontworpen, werd ook gepubliceerd in Archives of General Psychiatry. Ik denk niet dat we ten prooi moeten vallen aan dit soort paranoia.

[/fusion_builder_column][/fusion_builder_row][/fusion_builder_container]